Wonen in het buitenland, het kan voordelen hebben. Voor hetzelfde geld een veel groter huis en de kinderen gaan naar scholen waar nog ouderwetse discipline heerst. Hoe dan ook, voor menig Nederlander met een baan in Nederland moet wonen in België of Duitsland wel een aantrekkelijke optie zijn, want waarom staan er in onze grensstreken doordeweeks anders zoveel auto’s met Belgisch kenteken op de parkeerplaatsen van Nederlandse instanties, overheidsinstanties inbegrepen?
Maar… ook hier heeft de medaille twee kanten. Zo is het in deze economisch zware tijden helemaal niet denkbeeldig dat op enig moment de dagelijkse tocht van Lanaken of Veldwezelt naar de Nederlandse werkgever niet meer gemaakt hoeft te worden, en hoe zit het dan met zoiets als aanspraken op WW? Daarover komt u in dit artikel meer te weten.
Deze materie wordt beheerst door Europese regelgeving. Al vanaf de jaren vijftig wordt door middel van verordeningen getracht de nationale socialezekerheidsstelsels te coördineren (niet harmoniseren). Deze verordeningen zijn als gevolg van jurisprudentie van het Hof van Justitie EU en andere ontwikkelingen aan verandering onderhevig. Thans wordt in Verordening 883/2004 in samenhang met (uitvoerings) Verordening 987/2009 (onder meer) geregeld hoe het zit met de grensarbeider die werkloos raakt. Een grensarbeider is daarbij iemand die werkzaamheden (…) verricht in een lidstaat, maar die woont in een andere lidstaat, waarnaar hij in beginsel dagelijks of ten minste eenmaal per week terugkeert, zie artikel 1 sub f van de Verordening 883/2004.
Wat gebeurt er nu als zo’n grensarbeider werkloos raakt? In artikel 65 lid 2 van de Verordening 883/2004 staat dat de volledig werkloze, die tijdens het verrichten van zijn laatste werkzaamheden (…) in een andere dan de bevoegde lidstaat woonde en in die lidstaat blijft wonen of ernaar terugkeert, zich ter beschikking stelt van de arbeidsvoorzieningsdiensten van de lidstaat waar hij woont. De ‘Nederbelg’ dient zich dus bij de Belgische arbeidsvoorzieningen te melden. Hij mag zich ook ter beschikking stellen van de arbeidsvoorzieningsdiensten van de lidstaat waar hij zijn laatste werkzaamheden (…) heeft verricht.
Lid 5 van artikel 65 verordening 883/2004 bepaalt dat deze werkloze recht heeft op uitkering volgens de wetgeving van de lidstaat waar hij woont, alsof hij tijdens het verrichten van zijn laatste werkzaamheden (…) aan die wetgeving onderworpen was. Deze prestaties worden verleend door het orgaan van de woonplaats.
Dus, de Nederbelg dient zicht te melden bij de Hulpkas voor Werkloosheidsuitkeringen van zijn woonplaats en als hij aan de voorwaarden voldoet, ontvangt hij een Belgische werkloosheidsuitkering. Die uitkeringen zijn meestal veel lager dan de Nederlandse WW, maar lopen wel veel langer door. Duitse uitkeringen zijn meestal korter, en kunnen hoger of lager zijn dan Nederlandse uitkeringen.
Woont een werknemer in België, dan krijgt hij dus een Belgische werkloosheidsuitkering, woont hij in Duitsland dan krijgt hij Arbeitslosengeld.
Tot mei 2010 was dit vaak anders. Alhoewel een bepaling zoals die in artikel 65 van Verordening 883/2004 is opgenomen al jarenlang bestond, gold tot mei 2010 dat de werkloze grensarbeider zich doorgaans wel bij UWV kon melden voor een WW-uitkering.
Dat was het gevolg van het zogeheten Miethe-arrest van het Hof van Justitie EU van 2 juni 1986 (zaak 1/85). Ook onder de voorloper van Verordening 883/2004, te weten Verordening 1408/71, was met artikel 71 een bepaling als vervat in artikel 65 opgenomen. De heer Miethe wist het bij het Europese Hof echter voor elkaar te krijgen dat hij toch een uitkering in zijn werkland (Duitsland) kon ontvangen omdat hij in dat land ‘privé en beroepsmatig’ zodanige banden had dat hij daar ‘de beste kansen op re-integratie in het beroepsleven’ zou hebben. Een dergelijke werknemer hoefde niet als grensarbeider te worden beschouwd. Het werd hierbij steeds aan de nationale rechter overgelaten om te beoordelen of van een dergelijke situatie sprake was.
Bij de inwerkingtreding van Verordening 883/2004 heeft UWV zich op het standpunt gesteld dat het Miethe-arrest niet meer geldt. Dit standpunt is conform het regeringsstandpunt, zoals duidelijk wordt uit de antwoorden op Kamervragen (`Vergaderjaar 2010-2011, 688, Aanhangsel Handelingen). Het Miethe-arrest zou volgens de Minister in de nieuwe Verordening geïncorporeerd zijn door middel van de introductie van de mogelijkheid om als werkloze grensarbeider voortaan ook in het oude werkland als werkzoekende genoteerd te staan. Ook de Duitse en Belgische uitvoeringsorganen zouden geen toepassing meer geven aan het Miethe-arrest. Verder sprak de minister uit dat de keuze voor een Nederlandse uitkering vaak niet zozeer ingegeven zou zijn door de privé- en beroepsmatige banden met het werkland, als wel door de hoogte en duur van de uitkeringen in Nederland.
Over de toepasselijkheid van het Miethe-arrest is het laatste woord nog niet gezegd. Door middel van zijn uitspraak van 24 augustus 2011 (LJN:BS1156) heeft de Rechtbank Amsterdam, sector bestuursrecht, prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie EU over artikel 65 Verordening 883/2004. Het gaat over drie eisers (werkend over de grens) die voorheen op grond van het arrest Miethe aanspraak konden maken op een Nederlandse werkloosheidsuitkering. De voorgelegde vraag is of zij dit recht nog steeds hebben nu sinds 1 mei 2010 een nieuwe EU-Verordening van kracht is.
Het is nu wachten op de antwoorden van Hof van Justitie EU. Totdat die antwoorden er zijn, geldt als praktijk dat de werkloze grensarbeider zijn uitkering moet aanvragen in het woonland.
Maar wie betaalt de kosten dan van die uitkeringen? Het antwoord daarop is te vinden in artikel 65 lid 6 en 7 Verordening 883/2004: Het woonland betaalt de uitkering, met dien verstande dat het uitvoeringsorgaan van het werkland de kosten ervan gedurende drie dan wel vijf maanden dient te vergoeden.
Dat is interessant voor de overheidswerkgever als eigenrisicodrager! Indien de overheidswerknemer die in het buitenland woont, werkloos wordt, dan blijven de risico’s voor wat betreft de wettelijke werkloosheidsregelingen beperkt.
Bovendien werkt de onderlinge verrekening in de praktijk (nog) niet. Weliswaar staat in artikel 70 van Verordening 987/2009 dat het ene orgaan binnen zes maanden na het einde van het kalenderhalfjaar waarin de laatste betaling is verricht van de werkloosheidsuitkering, waarvan terugbetaling wordt verzocht, een verzoek dient te doen aan het andere orgaan en dat de aanvragen worden ingediend en betaald via ‘de verbindingsorganen’ van de betrokken lidstaten, maar daaraan wordt in de praktijk (nog) geen uitvoering gegeven. Een administratief verdrag met België om dat verder te regelen is nog niet geratificeerd (Tractatenblad 2011, nr. 50). Hoe het zit met Duitsland is mij niet bekend.
Voor de goede orde, dit stelsel geldt niet voor bovenwettelijke uitkeringen. Op grond van artikel 57 lid 2 van Verordening 987/2009 heeft de ambtenaar recht op de speciale bovenwettelijke uitkeringen alsof hij woont in die lidstaat waar hij werkte. Deze uitkeringen worden door het bevoegde orgaan voor eigen rekening verleend. Veel rechtspositieregelingen kennen regels voor de samenloop van buitenlandse werkloosheidsregelingen met de eigen bovenwettelijke aanspraken. Maar wat als de bovenwettelijke uitkering bestaat uit een vast bedrag, zoals in de sector Gemeenten? De inkomsten van ontslag kunnen dan stevig tegenvallen, bijvoorbeeld als gevolg van de lagere Belgische werkloosheidsuitkeringen.
Tot slot, de rechtspositie van de grensarbeider is erg complex. Zo ben ik in dit artikel niet ingegaan op de grensarbeider die arbeidsongeschiktheid wordt, om maar een voorbeeld te noemen. Daar zal in een van de volgende edities van de Capra Concreet nog op terugkomen worden.