Het draait altijd om geld. Of niet?
Na de middelbare school ben ik eerst economie gaan studeren. Na een jaar of twee kwam ik tot de conclusie dat het mij helemaal niet beviel dat alles in de economie om geld draait. Ik wilde mij niet de rest van mijn leven bezighouden met economische wetmatigheden. Ik wilde mij gaan inzetten voor de rechtvaardigheid in de samenleving. Daarom heb ik toen gekozen voor de rechtenstudie. Om er vervolgens achter te komen dat rechtszaken bijna altijd over geld gaan. In het gewone arbeidsrecht draaien bijna alle rechtszaken op een of andere manier om een loonvordering of een ontslagvergoeding. In het bestuursprocesrecht roept het ontbreken van een financieel belang vaak de vraag op of er nog wel sprake is van een procesbelang. De onrechtmatigheid van een besluit wordt vaak vertaald in schadevergoeding, in geld dus. Over principes valt bij de bestuursrechter niet of nauwelijks te procederen.
In het ambtenarenontslagrecht spelen de kosten van ontslag een belangrijke rol, vaak nog meer dan in het civiele arbeidsrecht vanwege het verhaal door UWV van de kosten van de WW-uitkering op de overheidswerkgever en vanwege de kosten die verbonden zijn aan de bovenwettelijke werkloosheidsuitkeringen. In de sector gemeenten geldt bij het verlenen van ongeschiktheids- of reorganisatieontslag veelal een vrij lange re-integratiefase waarin de ontslagen werknemer in dienst blijft van de werkgever en zijn volledige bezoldiging behoudt. In de sector Rijk vindt per 1 januari 2012 een drastische wijziging plaats van de wijze waarop de duur van de bovenwettelijke aansluitende uitkering wordt berekend. Gevolg daarvan is dat ook oudere werknemers met een relatief kort ambtelijk dienstverleden bij ontslag uit een vaste aanstelling langdurige uitkeringsaanspraken kunnen verkrijgen (de maximale duur is 9,5 jaar). Bij ontslagen in het onderwijs is vaak van cruciaal belang dat de onderwijswerkgever in aanmerking komt voor vergoeding van de uitkeringslasten door het Participatiefonds.
In gerechtelijke procedures over ontslag gaat het meestal niet expliciet over geld. Toch worden die procedures vrijwel altijd gevoerd vanuit het besef dat de processuele risico’s in feite financiële risico’s zijn omdat het verlies van een ontslagprocedures tot hoge kosten voor de overheidswerkgever kan leiden. Die gerechtelijke procedures duren lang, te lang. Er is een lichte verbetering werkbaar, maar ik schat de gemiddelde doorlooptijd van een ontslagzaak die tot de hoogste instantie bij de Centrale Raad van Beroep wordt uitgevochten toch nog steeds op drie tot vier jaar. Het financiële risico dat voor de overheidswerkgever aan het verlies van die procedure is verbonden, neemt met het voortduren van de procedure alleen maar toe. Maar vaak is er nog een ander negatief effect voor de overheidswerkgever. De ontslagen werknemer die over zijn ontslag aan het procederen is, is vaak vooral met zijn verleden bezig en niet met zijn toekomst. De frustraties over het ontslag blijken nog al eens een hinderpaal te zijn bij het vinden van een nieuwe betrekking. Gevolg daarvan is dat er langer een beroep wordt gedaan op de uitkeringsaanspraken en dat de kosten voor de overheidswerkgever alleen maar blijven stijgen, zelfs als de ontslagprocedure uiteindelijk wordt “gewonnen”.
In de onderhandelingen over het treffen van een minnelijke ontslagregeling draait het ook vrijwel altijd om geld. Maar wel vanuit het gemeenschappelijke (financiële) belang van de werkgever en de werknemer bij het zo spoedig mogelijk vinden van een andere betrekking door de ontslagen of met ontslag bedreigde werknemer. Daarnaast sluit een minnelijke ontslagregeling alle processuele risico’s die verbonden zijn aan de ontslagprocedure uit en bevordert daarmee de beheersbaarheid van de financiële consequenties van het ontslag, ook nu weer voor zowel werknemer als werkgever.
Hoewel het treffen van een minnelijke ontslagregeling de financiële risico’s van het ontslag zowel voor de werknemer als voor de werkgever verkleint, is er wel moed voor nodig om ja te zetten tegen zo’n regeling. Moed van de werknemer om de frustraties over het ontslag ter zijde te schuiven en in meer of mindere mate verantwoordelijkheid te nemen voor de eigen toekomst. Moed van de werkgever om zelf verantwoordelijkheid te nemen voor de (financiële) gevolgen van het ontslag in plaats van die verantwoordelijkheid bij de rechter neer te leggen en de uitkomst van een gerechtelijke procedure af te wachten. De regeling zal tot stand komen als die moed van beide kanten aanwezig is. Adequate advisering, bij voorkeur aan beide kanten, kan daar in belangrijke mate aan bijdragen. Dat houdt in een goede inschatting van de haalbaarheid van de diverse ontslagscenario’s, van de kansen van een ontslagprocedure, van de belangen die over en weer een rol spelen en van de mogelijkheden om financiële risico’s te verkleinen. Adequate advisering houdt ook in dat de gemaakte afspraken helder worden vastgelegd, op zo’n manier dat er niet achteraf nog gaten in te schieten zijn. Want die gaten zijn dan vaak financiële gaten en daar zit niemand op te wachten.
Net als in de economie en net als in rechtszaken, draait het in minnelijke ontslagrelingen vrijwel altijd om geld. Maar laten we vooral niet vergeten dat geld uiteindelijk alleen maar een middel is. Uiteindelijk draait het allemaal niet om geld maar om mensen en om vertrouwen. Geld blijkt bij de regeling van een ontslag vaak een goed middel te zijn om mensen tot elkaar te brengen. Rechtvaardigheid wordt vaak vertaald in geld. Economie en recht blijken veel dichter bij elkaar te liggen dan ik vroeger had gedacht. Ik heb er vrede mee.