De (niet) terugkerende wethouder
Geplaatst op: 15-12-2011

Als een wethouder begint aan zijn ambtstermijn, maakt hij vaak met de werkgever waar hij als werknemer in dienst is, afspraken over zijn overstap. Hij wordt daarbij gesteund door de wet, want zowel in de Ambtenarenwet (Aw) als in het Burgerlijk Wetboek (BW) zijn bepalingen opgenomen die eventuele drempels weg kunnen nemen om die overstap te maken. Zo bepaalt artikel 125c Aw dat een wethouder tijdelijk ontheven wordt van zijn functie. In het BW (artikel 7:643 BW) is geregeld dat de wethouder van zijn werkgever kan verlangen dat hij hem (onbetaald) buitengewoon verlof verleent. In de diverse ambtelijke rechtspositieregelingen en in CAO’s zijn bepalingen opgenomen over de (al dan niet) doorbetaling van het loon en de premies voor de sociale verzekeringen in deze periode.

Wel of geen terugkeergarantie afspreken?
Doet een werkgever er verstandig aan om naast deze wettelijke bepalingen nog expliciet een terugkeergarantie overeen te komen? Aan een dergelijke terugkeergarantie zijn aanzienlijke rechtspositionele en financiële risico’s verbonden.

Een terugkeergarantie betekent voor de werkgever dat hij bij de invulling van functies en vacatures continu met de terugkeer van de betreffende medewerker rekening moet houden. Dat kan tot lastige situaties leiden, zeker als het gaat om één van de topambtenaren die wethouder wil worden. Het vrijhouden van een dergelijke topfunctie in afwachting van een mogelijke terugkeer is vanzelfsprekend geen optie en aan het in dienst nemen van een vervanger op basis van een tijdelijke aanstelling zitten ook haken en ogen. Kan er bijvoorbeeld op tijdelijke basis wel een adequate vervanger worden gevonden? Ook loopt de overheidswerkgever een aanmerkelijk uitkeringsrisico wanneer deze medewerker ontslag wordt verleend uit de tijdelijke aanstelling. Inhuur zou een optie kunnen zijn, maar is mogelijk erg duur.

Bij de afweging om wel of geen terugkeergarantie te verlenen is met name ook het volgende aspect van belang. Artikel 8:9 van de CAR/UWO bepaalt dat een wethouder die bij een gemeente terugkeert van politiek verlof en naar het oordeel van het college niet in actieve dienst kan worden hersteld, eervol ontslag kan worden verleend. Het Rijk kent een soortgelijke bepaling in artikel 96b ARAR en de politie in artikel 92 Barp. Belangrijk is dat de betrokken ambtenaar bij een ontslag op grond van dit artikel in beginsel geen aanspraak heeft op een werkloosheidsuitkering ten laste van de gemeente waar hij in dienst was, eenvoudigweg omdat hij aan zijn wethouderschap niet de hoedanigheid van werknemer in de zin van de WW kan ontlenen . Cruciaal is nu dat in het geval een terugkeergarantie is verleend, artikel 8:9 CAR/UWO niet meer kan worden toegepast. De gewezen wethouder keert dan weer terug bij de gemeente waar hij voorheen in dienst was en wanneer er geen passende functie voor hem is, zal die gemeente hem op een andere grond ontslag moeten verlenen met mogelijk aanzienlijke financiële consequenties in de uitkeringssfeer.

Aanspraken wethouder na beëindiging wethouderschap
Een wethouder die is afgetreden, heeft op grond van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa), recht op een ontslaguitkering ten laste van de gemeente waar hij wethouder was. Het maakt daarbij niet uit wat de reden voor het aftreden is geweest. Hij moet zich houden aan de rechten en plichten uit de Appa, zoals de plicht om te solliciteren (artikel 132a Appa). Hij is onder meer verplicht actief passende arbeid te vinden en aangeboden passende arbeid te aanvaarden.

De terugkeergarantie en de Appa-uitkering
Wanneer partijen een terugkeergarantie zijn overeengekomen en de gewezen wethouder maakt daar na zijn ontslag gebruik van, dan is een Appa-uitkering uiteraard niet aan de orde. Echter, wanneer de wethouder na zijn ontslag van deze overeengekomen mogelijkheid geen gebruik maakt, dan komt hij daarmee de hiervoor omschreven sollicitatieverplichting niet na. Hij loopt dan het risico dat zijn uitkering geheel of gedeeltelijk wordt ingehouden op basis van artikel 132c Appa en het daarop gebaseerde Besluit sollicitatieplicht Appa voor gewezen politieke ambtsdragers.

Het is in dit kader interessant om stil te staan bij artikel 132a, lid 6 van de Appa waarin is aangegeven dat de bepalingen rond de sollicitatieplicht niet gelden in de eerste periode van drie maanden nadat de wethouder is afgetreden. De achterliggende gedachte hierbij is dat een benoeming in een politiek ambt abrupt kan eindigen. Er geldt geen opzegtermijn of herplaatsingperiode. Door de sollicitatieplicht pas na drie maanden in te laten gaan, wordt de gewezen wethouder wat tijd gegund zich te beraden op zijn nieuwe situatie.

Stel dat de ex-wethouder afziet in deze eerste periode van drie maanden na zijn ontslag van de terugkeergarantie. Wellicht dat de wethouder daarmee in strijd handelt met het doel van de bepalingen rond de sollicitatieplicht uit de Appa: zich actief inspannen om nieuw werk te vinden. Het afzien van een recht om terug te keren past daar niet bij.

Het is echter de vraag of deze stap van de wethouder op grond van de Appa gesanctioneerd kan worden. Er is namelijk geen sprake van het overtreden van artikel 132a Appa omdat de sollicitatieverplichting de eerste drie maanden niet geldt. Er is dus geen wettelijke grond om een sanctie op te leggen. Het is tevens zeer de vraag of een besluit van de gemeente om, onder verwijzing naar de bedoeling van de wet (een actieve sollicitatie-inspanning) en met een beroep op de redelijkheid en billijkheid, een sanctie toe te passen op de Appa-uitkering van de betrokken wethouder, in stand blijft wanneer het tot een procedure bij de Centrale Raad van Beroep komt.

De Centrale Raad van Beroep heeft namelijk in zijn uitspraak van 12 januari 2006, LJN: AV0743 in een geschil over de vraag of een FPU-uitkering verrekend mag worden met de Appa-uitkering, overwogen dat de in de Appa opgenomen regeling inzake verrekening van inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf en de overwegingen die daaraan ten grondslag liggen, een gebonden karakter heeft en dat de gemeente in dit geval geen ruimte had om daarvan op grond van redelijkheid en billijkheid af te wijken. De bepalingen rond het sanctioneren van het niet nakomen van de sollicitatieverplichting lijken evenzeer een gebonden karakter te hebben, zodat in lijn van deze uitspraak gesteld kan worden dat voor deze situatie geen ruimte bestaat om daarvan op grond van redelijkheid en billijkheid af te wijken.

Een dergelijke stap van de wethouder kan mogelijk wel politiek gevoelig liggen. Hij moet nu een beroep op de Appa doen, terwijl hij zonder financiële consequenties voor de gemeente waar hij als wethouder was benoemd, weer bij zijn oorspronkelijke werkgever had kunnen gaan werken. Dat geldt ook voor de situatie waarin de wethouder al tijdens zijn benoemingsperiode afstand doet van het recht om terug te keren. Niet ondenkbaar is dat de wethouder dan na zijn ontslag een beroep op de Appa moet doen met de bijbehorende kosten voor de gemeente.  Een dergelijke handeling kan op grond van de Appa in ieder geval niet gesanctioneerd worden, want de bepalingen uit de Appa zijn pas van toepassing als er een recht op uitkering bestaat en daar is in die situatie nog geen sprake van.

Situatie voor en na 27 februari 2010
De sollicitatieplicht in de Appa is bij wetswijziging van 27 februari 2010 ingevoerd. Alle wethouders die sinds 27 februari 2010 voor het eerst zijn benoemd vallen onder deze nieuwe bepaling. Voor wethouders die voor 27 februari 2010 in functie waren en zijn herbenoemd, geldt dat zij pas na hun herbenoeming onder de nieuwe bepaling vallen. Bij genoemde wetswijziging is overigens meer veranderd. De uitkeringsduur is verkort, er kan planmatige begeleiding bij het vinden van ander werk worden geboden en het loopbaanprincipe is ingevoerd (aanspraken op een Appa-uitkering opgebouwd in verschillende Appafuncties tellen mee bij het vaststellen van de duur van de Appa-uitkering).

Afsluitend
Een eenduidig antwoord op de vraag wat de gevolgen zijn van het afzien van een terugkeergarantie voor zowel de wethouder als de gemeente waar hij is benoemd, is niet te geven want sterk afhankelijk van de individuele omstandigheden. Steeds zal per geval onderzocht moeten worden wat de implicaties kunnen zijn.

 
 
 
 
 
 
 
 
16-05-2012 | Capra op twitter
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
08-09-2011 | Mediation
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
03-03-2011 | Dat is beloofd!
 
 
 
02-03-2011 | Verboden
 
 
 
 
 
 
 
30-11-2010 | CAO Ambulancezorg
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
27-12-2009 | Appels
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
28-04-2009 | Preventie werkt!
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
15-02-2009 | TAR bestaat 25 jaar
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Follow us
Opleidingsinstituut van
Erkende opleidingsinstelling advocatuur
 
Zoeken
 
Twitter
Publicatie
Wilt u op de hoogte blijven van het laatste nieuws? Volg ons dan op twitter op @CAPRAadvocaten
wo 16 mei 2012 - Capra op twitter
 
Thema 1
intro over thema
 
Publicatie
Capra opent een vestiging in Maastricht! In het bestuurlijke centrum van Limburg willen wij dicht bij onze klanten zitten om daarmee de laatste drempels weg te nemen voor een verdere groei van de goede relatie tussen Limburg en Capra. Natuurlijk heeft Maastricht het bezwaar dat er weinig “achterland” is. Maar dan hebben we het over Nederlands achterland, Europees gezien is er meer dan genoeg achterland, zou ik denken. Als de problematiek van grensoverschrijdende arbeid ergens speelt, dan is dat wel in Limburg. Komt goed uit, Capra heeft daar (niet) toevallig veel kennis en ervaring mee.
wo 16 mei 2012 - Capra komt naar Maastricht!