Werkgever sneller aansprakelijk voor psychische arbeidsongeschiktheid als gevolg van het werk
Het komt voor dat een medewerker met psychische klachten ziek uitvalt en stelt dat zijn klachten zijn veroorzaakt door het werk of de werkomstandigheden.
Een eerste moment waarop de zieke medewerker een ingang heeft om bij het bestuursorgaan hierover een besluit uit te lokken is zodra er na een x-aantal maanden, de gebruikelijke korting op de bezoldiging wegens langdurig ziekteverzuim plaatsvindt. Deze korting mag namelijk niet plaatsvinden als de ziekte in overwegende mate zijn oorzaak vindt in het werk of de werkomstandigheden en niet aan schuld of nalatigheid van de medewerker te wijten is.
Als het gaat om psychische klachten, en daar gaat het in dit stukje over, hanteerde de Centrale Raad van Beroep (hierna aan te duiden met de Raad) jarenlang de navolgende criteria.
Ten eerste moet worden vastgesteld naar objectiveerbare maatstaven dat er sprake is van bijzondere factoren, die niet alleen deel uitmaken van of in rechtstreeks verband staan met het werk of werkomstandigheden maar die in verhouding tot dat werk of die werkomstandigheden een abnormaal of excessief of buitensporig karakter droegen (CRvB 16 maart 2006, LJN: AW2423).
Pas indien en zodra is vastgesteld dat het werk of de werkomstandigheden daadwerkelijk abnormaal, excessief of buitensporig zijn geweest (inmiddels spreekt de Raad alleen nog maar over buitensporig), komt het tweede criterium aan bod, namelijk bestaat er een causaal verband tussen de ziekte/arbeidsongeschiktheid en het werk of de werkomstandigheden (CRvB 23 maart 2006, LJN: AX1651).
De Raad oordeelt daarbij dat de bewijslast ligt bij de ambtenaar die voor aanvulling (op zijn wegens ziekte gekorte bezoldiging) in aanmerking wenst te komen (30 oktober 2008, LJN: BG2649 en 28 april 2011, LJN:BQ4125).
Het uitgangspunt te weten, dat allereerst moet worden beoordeeld of het werk of de werkomstandigheden een buitensporig karakter dragen, geldt nog steeds. In zijn uitspraak van 21 juli 2011 (LJN: BR4097) echter oordeelt de Raad voor het eerst, dat als moet worden vastgesteld dat het werk of de werkomstandigheden een buitensporig karakter droegen, dat dan behoort te worden uitgegaan van het vermoeden van een (toereikend) causaal verband tussen de buitensporige werkomstandigheden en de ziekte. Dit is slechts dan anders indien er een evident andere oorzaak voor de ziekte aanwezig is. Het gegeven, in deze bewuste uitspraak, dat de psychiater van oordeel was dat de ziekte ook niet los gezien kon worden van de persoonlijkheidsstructuur van de medewerker, deed volgens de Raad aan de aannemelijkheid van het causale verband niet af.
Deze uitspraak betekent, dat de Raad de bewijslast heeft omgedraaid op het moment dat is aangetoond dat er in objectieve zin van buitensporige werkomstandigheden sprake is. Als dan niet kan worden aangetoond door de werkgever dat er een evident andere oorzaak voor de ziekte/arbeidsongeschiktheid voortkomende uit psychische klachten aanwezig is, wordt de ziekte vermoed voort te vloeien uit die buitensporige werkomstandigheden. Een korting op de bezoldiging wegens langdurig ziekzijn, moet dan achterwege blijven. De Raad hanteert dezelfde criteria ook bij andere bepalingen over aanvulling van de bezoldiging / uitkering in het geval van arbeidsongeschiktheid in en door de dienst.