Op het verkeerde been gezet
Geplaatst op: 08-09-2011 | Door: Martijn Steuten

Het zal je maar overkomen: met veel enthousiasme start je met je opleiding tot politieagent. Na een zware selectieprocedure en nog enige wachttijd, kun je eindelijk aan de slag. Spannend. In het opleidingscentrum ontmoet je je nieuwe collega’s en doordat je met zijn allen veel tijd samen doorbrengt en gezamenlijk ervaringen doormaakt, groei je al snel naar elkaar toe. Er ontstaat zowaar zoiets als een groep en een gevoel van onderlinge verbondenheid.

Maar dan vertelt een kersverse kameraad dat zijn salaris hem eigenlijk nog helemaal niet tegenviel. Jouw ervaringen zijn anders. Jij vond het aanbod van de korpsbeheerder schraal en ervoer dat er geen centimeter onderhandelingsruimte was. Voor het geld hoefde je niet over te stappen! In je vorige baan was je veel beter af, maar omdat je nu eenmaal zo enthousiast was voor het politievak ben je toch maar akkoord gegaan.

Meningen kunnen verschillen, maar het blijft knagen en na enig doorvragen blijkt dat je collega maar liefst een trede of acht hoger is ingedeeld in dezelfde schaal als jij. Dat kan niet kloppen! De aanstellingsbrieven worden erbij gepakt en enige studie wijst uit dat je collega onder toepassing van een beleidsregel op basis van opleiding en ervaring extra treden toegekend heeft gekregen en jij niet. Het gevoel van broederschap krijgt een knauw.

Maar inmiddels heb je de eerste les ‘Algemene wet bestuursrecht’ gehad en, getraind als je inmiddels bent in assertiviteit, besluit je om een verzoek bij je baas in te dienen. Je wilt voor wat betreft je salaris in een gelijke positie te komen als je collega, en wel met terugwerkende kracht tot het moment dat je in dienst trad.

Zo kan het ongeveer gegaan zijn in de kwestie waarin de Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraak van 26 mei 2011, gepubliceerd onder LJN:BQ8061, zijn oordeel heeft gegeven.

Deze uitspraak geeft een (betrekkelijk zeldzaam) voorbeeld van een situatie waarbij een bestuursorgaan dient terug te komen van een beslissing die, met het verstrijken van de termijn waarbinnen rechtsmiddelen aangewend konden worden, in rechte is komen vast te staan.

Inderdaad, onze aspirant kreeg zijn gelijk, maar niet zonder slag of stoot.

Wat gebeurde er met het verzoek van onze aspirant-agent?

In de eerste plaats heeft de aspirant-agent het nodige geduld moeten uitoefenen alvorens hij zijn gelijk haalde. Uit de uitspraak kan begrepen worden dat hij per 30 januari 2006 in dienst trad en vervolgens op 6 april 2007 een verzoek indiende. De inhoud van dat verzoek was dat hij vond dat hij met ingang van indiensttreding een hoger salaris zou dienen te krijgen op grond van de zogeheten ‘Kadernota bezoldiging aspiranten PO2002’. De Korpsbeheerder wees vervolgens op 1 oktober 2007 het verzoek af, waarna de aspirant-agent in bezwaar ging.

Aangezien de aspirant-agent kennelijk niet de enige was, heeft de Korpsbeheerder een nader onderzoek gehouden. Hij bekeek daarbij of onder andere onze aspirant-agent ‘nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden’ in zijn aanvraag had vermeld. Immers, alleen als er sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zou de Korpsbeheerder gehouden kunnen zijn om nog eens helemaal opnieuw de aanvraag te bekijken en eventueel terug te komen op het eerdere salarisbesluit. Dit op grond van artikel 4:6 Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het nadere onderzoek van de Korpsbeheerder wees uit dat door de selecteurs en andere betrokken medewerkers bij de sollicitatie- en aanstellingsprocedure geen melding was gemaakt van het beleid dat bij de collega had geleid tot een hoger salaris. Wel bleek dat in de aanstellingsbrief van de aspirant-agent een verwijzing naar het beleid was opgenomen. Omdat hij dus op de hoogte was van het beleid, of had kunnen zijn, en vervolgens meer dan een jaar was gepasseerd, bestond volgens de Korpsbeheerder voor hem niet meer de verplichting om van de eerdere besluitvorming terug te komen. Het bezwaarschrift van de aspirant-agent werd vervolgens ongegrond verklaard.

De Rechtbank Utrecht verklaarde het beroep van de aspirant-agent in zijn (niet gepubliceerde) uitspraak van 15 februari 2010 gegrond, en wel voor de periode gelegen na de datum van indiening verzoek, dus vanaf 7 april 2007. Op zich volgde de Rechtbank de Korpsbeheerder waar hij stelde dat er geen sprake was van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, maar de Rechtbank vond dat ten onrechte geen onderscheid was gemaakt tussen het verleden en de toekomst.

Voor zover het verzoek betrekking had op toekomstige salarisbetalingen, had het verzoek dus gewoon in behandeling genomen dienen te worden en getoetst moeten worden aan het beleid. De Rechtbank sloot daarbij aan bij vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, zie bijvoorbeeld Centrale Raad van Beroep 28 april 2005, TAR2005/111, waarin de Raad duidelijk maakte dat als er sprake is van een zogenoemde duuraanspraak, bij de toetsing een onderscheid gemaakt dient te worden tussen het verleden en de toekomst. In die uitspraak overwoog de Raad dat wat betreft de periode voorafgaand aan het verzoek om terug te komen, de bestuursrechter zich in beginsel dient te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien, terwijl voor wat betreft de periode daarna een minder terughoudende toetsing moet worden gehanteerd. De Raad vond het in de regel niet met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging verenigbaar als een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend, blijvend aan de verzoeker wordt tegengeworpen.

De Korpsbeheerder diende zich dus alsnog te beraden over het effect van het salarisbeleid op het salaris van onze aspirant-agent. Daarbij gaf de Rechtbank de Korpsbeheerder een sterke aanwijzing,  door aan te geven dat het criterium ‘werk en levenservaring’ naar de maatstaf van het beleid een objectief criterium was dat aan de Korpsbeheerder weinig onderhandelingsruimte bood. Het zag er dus gunstig uit voor onze aspirant-agent.

Zowel de Korpsbeheerder als de inmiddels allicht niet meer aspirant-agent, maar gewoon agent, gingen in hoger beroep. De Korpsbeheerder omdat hij vond dat de Rechtbank verkeerde aanwijzingen had gegeven over de toepassing van het beleid en de agent omdat hij vond dat de salarisverhoging terug diende te werken tot de datum dat hij in dienst trad.

De uitkomst van zijn hoger beroep zal voor de Korpsbeheerder teleurstellend zijn geweest. Niet alleen bevestigde de Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraak de uitspraak van de Rechtbank voor zover door de Korpsbeheerder aangevochten, maar de Raad voegde daaraan toe dat het beleid zo in elkaar stak dat ‘een en ander zich niet verdraagt met de aan bestuurlijke besluitvorming te stellen eisen van consistentie en gelijke behandeling, en aldus in strijd komt met het verbod van willekeur en het gelijkheidsbeginsel’. Het zat als volgt.

Eerder werd opgemerkt dat het beleid voorzag in de toekenning van extra treden binnen de schaal op grond van opleiding en ervaring. In de praktijk werkte het systeem zo, dat alleen extra treden konden worden toegekend op basis van werkervaring indien een toelage toegekend werd op grond van opleidingsniveau. Een tweetrapsraket. De Korpsbeheerder maakte daarbij de toekenning van de ene toelage, die voor werkervaring, uitsluitend afhankelijk van de toekenning van een andere toelage die met de ene toelage volstrekt niets van doen had. Dat kon de toets der kritiek van de Raad niet doorstaan.

Maar de Korpsbeheerder kreeg nog een teleurstelling te verwerken, want de Raad was ook niet mild over de wijze waarop namens de Korpsbeheerder met onze agent het gesprek was aangegaan over zijn salaris.

De agent had aangevoerd dat tijdens zijn sollicitatie hem nadrukkelijk en herhaalde malen te verstaan was gegeven dat er over zijn salaris niet viel te onderhandelen. Deze gang van zaken was door de Korpsbeheerder niet weersproken.

Integendeel, de Korpsbeheerder had in een brief uit 2008 eerder reeds bevestigd dat sommige sollicitanten het salaris wel ter discussie hadden gesteld, maar dat hen was verteld dat afwijking naar boven niet mogelijk was, waarbij kennelijk de indruk was ontstaan dat dit in zijn algemeenheid zo was. Uit hetgeen door beide partijen naar voren was gebracht, leidde de Raad af dat ‘betrokkene tijdens zijn sollicitatie niet alleen niet op de hoogte is gesteld van het (…..) beleid, maar dat hem bovendien expliciet en met de nodige stelligheid een van dat beleid afwijkend beeld is geschetst’. Normaal gesproken, zo voegde de Raad hieraan toe, vormt bekendheid met beleid achteraf geen nieuwe gebleken feit of veranderde omstandigheid, maar nu ‘betrokkene van de zijde van de Korpsbeheerder nadrukkelijk op het verkeerde been is gezet, liggen de zaken in zijn geval anders’. De omstandigheid dat in de aanstellingsbrief van de agent zonder toelichting verwezen werd naar het beleid, had onder deze omstandigheden voor de agent geen reden hoeven te vormen om hetgeen hem was voorgehouden alsnog in twijfel te trekken.

Dit samenstel van omstandigheden leidde ertoe dat de korpsbeheerder ten onrechte niet inhoudelijk was ingegaan op de periode van datum aanstelling tot de datum van het verzoek.

En zo krijgt onze agent nu, medio 2011, alsnog extra salaris uitbetaald over de periode 30 januari 2006 tot 6 april 2007. Over de periode vanaf 6 april 2007 was het salaris als gevolg van de eerdere uitspraak van de Rechtbank al verhoogd.

Bestuursorganen hoeven op grond van deze uitspraak niet de vrees te hebben dat de poort voor herzieningsverzoeken wagenwijd openstaat. Deze uitspraak maakt eerder duidelijk dat een ambtenaar die met terugwerkende kracht allerlei in zijn ogen onrechtmatigheden rechtgezet wil hebben nogal wat naar voren dient te brengen. Niet snel is sprake van ‘nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden’ als bedoeld in artikel 4:6, lid 1 Awb. Onbekendheid met beleid of regelgeving is doorgaans geen excuus om niet in actie te komen, en dat geldt ook voor een omstandigheid als nieuwe jurisprudentie. Als er geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, dan kan het bestuursorgaan eenvoudig verwijzen naar de eerdere beschikking.

 

 

 
 
 
 
 
 
 
 
16-05-2012 | Capra op twitter
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
08-09-2011 | Mediation
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
03-03-2011 | Dat is beloofd!
 
 
 
02-03-2011 | Verboden
 
 
 
 
 
 
 
30-11-2010 | CAO Ambulancezorg
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
27-12-2009 | Appels
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
28-04-2009 | Preventie werkt!
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
15-02-2009 | TAR bestaat 25 jaar
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Follow us
Opleidingsinstituut van
Erkende opleidingsinstelling advocatuur
 
Zoeken
 
Twitter
Publicatie
Capra opent een vestiging in Maastricht! In het bestuurlijke centrum van Limburg willen wij dicht bij onze klanten zitten om daarmee de laatste drempels weg te nemen voor een verdere groei van de goede relatie tussen Limburg en Capra. Natuurlijk heeft Maastricht het bezwaar dat er weinig “achterland” is. Maar dan hebben we het over Nederlands achterland, Europees gezien is er meer dan genoeg achterland, zou ik denken. Als de problematiek van grensoverschrijdende arbeid ergens speelt, dan is dat wel in Limburg. Komt goed uit, Capra heeft daar (niet) toevallig veel kennis en ervaring mee.
wo 16 mei 2012 - Capra komt naar Maastricht!
 
Thema 1
intro over thema
 
Publicatie
Wilt u op de hoogte blijven van het laatste nieuws? Volg ons dan op twitter op @CAPRAadvocaten
wo 16 mei 2012 - Capra op twitter