Een nieuwe tijdelijke baan aangeboden tijdens de re-integratiefase. Wat dan?
In hoofdstuk 10d van de CAR/UWO is sedert juli 2008 de focus er uitdrukkelijk op gericht om de gewezen ambtenaar te begeleiden van werk naar werk.
Een van die faciliteiten die hiervoor ingezet worden is de zogeheten re-integratiefase. Aan de ambtenaar wordt afhankelijk van de duur van het dienstverband bij zijn laatste werkgever een bepaalde termijn, noem het maar een opzegtermijn, gegund om met behoud van bezoldiging om te zien naar ander werk.
Gedurende deze periode kan de ambtenaar ook nog een beroep doen op re-integratiefaciliteiten. De hieraan verbonden kosten worden tot een maximum van € 7.500,- bruto door de werkgever vergoed.
Wat staat hier nu tegenover? De ambtenaar moet zich inspannen, hetgeen logisch is, om zo spoedig mogelijk een andere functie binnen of buiten de gemeente te aanvaarden. Doet hij dat niet, dan eindigt de re-integratiefase, wordt onmiddellijk ontslag verleend en vervallen de rechten op een aanvullende uitkering en een nawettelijke uitkering. Artikel 10d:6 lijkt hierover duidelijk. Toch kan hier wel enige discussie ontstaan. Wat nu immers te doen met een ambtenaar die op grond van bijvoorbeeld reorganisatie na een dienstverband van ruim 15 jaar is ontslagen? Aan hem wordt een re-integratiefase toegekend van 15 maanden. In deze re-integratiefase is hij gehouden een andere functie (over passendheid wordt niet gerept), al dan niet in deeltijd, te aanvaarden. Nu krijgt hij de kans een baan te aanvaarden met een tijdelijk karakter voor een periode van zes maanden.
Het betreft een functie in het “bedrijfsleven” waarover een reguliere arbeidsovereenkomst gesloten moet worden.
Aanvaardt de ambtenaar, dan eindigt de re-integratiefase en vervallen de rechten op een bovenwettelijke en nawettelijke uitkering. Een behoorlijke impact, zo mag je wel stellen. Weigert hij, gelet op deze voor hem nadelige effecten, de andere betrekking te aanvaarden, dan loopt hij het meer dan aanwezige risico dat niet alleen het ontslag vervroegd wordt, maar dat ook het recht op een bovenwettelijke en nawettelijke uitkering wordt beëindigd. Artikel 10d:6 de leden 2 en 3 liegen er in dat verband immers niet om. Re-integratieverplichting onvoldoende nagekomen leidt tot vervroeging van ontslag en imperatief tot vervallenverklaring van aanvullende en nawettelijke uitkering.
Is dit nu gegeven de hiervoor geschetste casus fair?
Gelet op de geschetste consequenties denk ik dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De nadelige effecten van de aanvaarding van een tijdelijke baan buiten de overheid zijn zodanig dat aanvaarding in redelijkheid, naar mijn mening althans, niet van de ambtenaar gevergd kan worden. De werkgever zal dit in zijn afweging moeten betrekken. Met zoveel woorden is dit in voornoemde leden 2 en 3 van artikel 10d:6 ook verwoord. Het college van burgemeester en wethouders zal immers bij een beslissing tot beëindiging van het dienstverband vóór einde re-integratiefase en vervallenverklaring van uitkeringen, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur moeten betrekken. Eigenlijk een levensgrote “open deur” en daarmee een overbodige bepaling, want dat moet een bestuursorgaan immers altijd.
Hoe dit ook zij, concreet houdt het betrekken van de abbb naar mijn mening in dat het bevoegd gezag in casus als deze altijd een belangenafweging moet maken, waarbij de vraag beantwoord moet worden of gegeven de voorliggende casus in redelijkheid in de afweging van alle belangen tot een beëindigingsbeslissing gekomen mocht worden. Zijn de nadelige effecten van aanvaarding van een tijdelijke betrekking, afgezet tegen de rechten en aanspraken verbonden aan het re-integratieontslag onevenredig (zoals in onze casus), dan zal het college in deze belangenafweging niet tot beëindiging mogen besluiten. De uitkomst van de belangenafweging is uiteraard geheel afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Zij mag echter niet gepasseerd worden en zou vanzelfsprekend er ook toe kunnen leiden dat de nadelige effecten in het te nemen besluit geheel of gedeeltelijk worden opgevangen waardoor de onevenredigheid van de gevolgen wordt opgeheven.