
In verband met de Wet dwangsom en beroep zijn de beslistermijnen in het bestuursrecht veranderd. Tegenwoordig begint die termijn te lopen op de dag na die waarop de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift verstrijkt, en niet meer op de dag na ontvangst van een bezwaarschrift dat aan alle wettelijke eisen voldoet. In de situatie waarin een adviescommissie onder extern voorzitterschap is ingesteld bedraagt die beslistermijn twaalf weken en kan zij met ten hoogste zes weken worden verdaagd. Die termijn loopt in dat geval dus in de praktijk achttien weken, te rekenen vanaf de dag na bekendmaking van het bestreden besluit. Dat kan langer zijn in een situatie waarin de belanghebbende is gewezen op een tekortkoming in zijn bezwaarschrift en een termijn heeft gekregen om dat gebrek te herstellen. Daarbij kan vooral worden gedacht aan het inleidende bezwaarschrift, waarin nog niet is vermeld op welke gronden dat is gebaseerd. Doorgaans krijgt de indiener van zo’n bezwaarschrift vier weken de tijd om de motivering aan te vullen, waarmee de totale termijn dan al uitkomt op (maximaal) 22 weken.
Het bestuursorgaan dat die uiterste termijn overschrijdt kan een dwangsom verschuldigd zijn voor elke dag gedurende welke de beslissing uitblijft, met een wettelijk maximum van 42 dagen. De voorwaarde is wel dat de belanghebbende het bestuursorgaan een schriftelijke ingebrekestelling heeft gestuurd; na ontvangst daarvan heeft het bestuursorgaan nog twee weken de tijd om alsnog een beslissing te nemen op het bezwaar. Pas als dat dan nog niet lukt gaat het geld kosten.
Het berekenen van de precieze termijn vergt soms enige rekenkunst. In de praktijk komt het nogal eens voor dat een belanghebbende (ook wel eens zijn advocaat, overigens) die rekensom verkeerd maakt en te vroeg overgaat tot het inzenden van een zogenoemde ingebrekestelling. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft over zo’n geval geoordeeld in de uitspraak van 9 februari 2011, LJN BP3711. Uit die uitspraak blijkt dat een brief die voor het verstrijken van de beslistermijn wordt verstuurd, en die wel is bedoeld als ingebrekestelling in de zin van artikel 4:17 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht, in principe toch niet als zodanig kan worden beschouwd. Het gevolg daarvan is dat de termijn van twee weken waarbinnen alsnog een beslissing kan worden genomen niet gaat lopen en er dus ook geen dwangsommen verschuldigd zijn, hoe lang het vervolgens ook nog mag duren. Dat is misschien zuur voor de belanghebbende die te lang op zijn beslissing moet wachten, maar het gevolg van het feit dat hij zijn huiswerk beter had moeten maken.
In het hiervoor bedoelde geval kwam de betrokkene niet weg met een verwijzing naar onjuiste informatie van de kant van het bestuursorgaan over de beslistermijn, aangezien hij op basis van correspondentie in andere zaken op de hoogte was of had kunnen zijn van de juiste beslistermijn. Of de betrokkene inderdaad op het verkeerde been is gezet maakt de uitspraak niet duidelijk, maar uit de bewuste rechtsoverweging is wel af te leiden dat de uitkomst anders kan zijn in de situatie waarin de voorlichting vanuit het bestuursorgaan tekortschiet. Wie niet beter weet en zich daardoor vergist in de datum waarop de beslistermijn afloopt, kan dus onder omstandigheden wel de vruchten plukken van een premature ingebrekestelling.
De les die deze uitspraak ons leert, is dat het verstandig is nog eens goed te kijken naar de voorlichting die aan belanghebbenden wordt gegeven over de toepasselijke beslistermijnen. Pas uw standaardbrieven waar nodig aan de nieuwe regels aan en wees duidelijk over opschorting en verdaging. Wordt u desondanks te vroeg in gebreke gesteld, dan bespaart u daarmee de kosten van een dwangsom, ongeacht hoeveel u te laat bent met de bekendmaking van het besluit.
Mr. V.L.S. van Cruijningen