In november 2007 vroeg een stagiaire namens een adviesbureau aan alle gemeenten om verstrekking van een aantal documenten. Bij het uitblijven van een tijdige reactie werd een bezwaarschrift ingediend met een verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand. Deze verzoeken werden door velen gezien als oneigenlijk gebruik van de wet, hetgeen in antwoord op Kamervragen werd beaamd door de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (TK, 2007 – 2008 nr. 3264). De staatssecretaris antwoordde van mening te zijn dat er geen sprake was van beroepsmatig door een derde verleende rechtsbijstand, om welke reden het adviesbureau ten onrechte om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand had verzocht, zulks gezien het feit dat de verzoeken zouden zijn ingediend door een stagiaire van het adviesbureau. Het feit dat het verzoek werd gedaan rond de Kerst kwam daarbij, net als het gegeven dat er bij zeer veel gemeenten bezwaar was gemaakt.
Op elk van die argumenten lijkt mij het nodige af te dingen. Niettemin trok de staatssecretaris de conclusie dat in het kader van de invoering van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen werd geïnventariseerd waar zich bij wettelijke termijnen knelpunten voordeden, alsmede dat mogelijk misbruik een dergelijk knelpunt zou kunnen zijn. Op 12 mei 2009 diende het Kamerlid Teeven een motie in met het verzoek om ten spoedigste over te gaan tot een wijziging van de Wet openbaarheid van bestuur om kennelijk misbruik van die Wet tegen te gaan, bestaande in het bewust aansturen op het niet tijdig kunnen beslissen binnen de beslistermijn. Deze motie werd echter op verzoek van de heer Teeven in de vergadering van 19 mei 2009 van de agenda afgevoerd. Het wetsvoorstel tot wijziging van ondermeer de Wet openbaarheid van bestuur in verband met de inwerkingtreding van de Wet dwangsom en beroep, werd vervolgens bij meerderheid van stemmen aangenomen.
Sinds de inwerkingtreding van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen wordt de roep om herziening van de Wob luider. Onder de pakkende titel Wob als melkkoe vroeg het blad Binnenlands Bestuur in februari 2010 aandacht voor het probleem van aanvragers die “jagen op de boetes die de overheid tegenwoordig krijgt opgelegd bij termijnoverschrijding”. In dit artikel wordt als mogelijke oplossing genoemd het inbouwen van een buffer in de Wob die ertoe leidt dat de aanvrager, al dan niet bij de rechtbank, moet aantonen dat hij een daadwerkelijk belang heeft bij de gevraagde informatie.
Op grond van de huidige wet is het heel moeilijk om hard te maken dat een Wob-verzoek is te beschouwen als het aanwenden van een rechtsmiddel zonder redelijk doel danwel voor een ander doel dan waarvoor dat rechtsmiddel is gegeven.
Illustratief in dit verband is een uitspraak van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 april 2005 (JB 2005/150). In die zaak maakte de afdeling uit dat er geen sprake is van misbruik van recht indien tegen een op de Wob gebaseerd besluit bezwaar wordt gemaakt kennelijk uitsluitend met de bedoeling een persoonlijk belang in een andere procedure te dienen. In de noot bij deze uitspraak stipt de annotator het probleem aan van de rechtsbescherming van het bestuur tegen de querulant en tegen de kansloze zaak. Hij vermeldt daarbij dat niet al te snel mag worden aangenomen dat van openstaande rechtsmiddelen misbruik wordt gemaakt, zulks mede gebaseerd op het aloude uitgangspunt van een dienende overheid. Hij concludeert dat met name de gedachte bij het bestuur dat strategisch en op voorhand kansloos wordt geprocedeerd op zichzelf geen reden mag zijn om een bezwaar tegen een besluit niet in behandeling te nemen.
In diezelfde lijn oordeelde de Centrale Raad van Beroep op 2 maart 2010. In die zaak had het bestuursorgaan geprobeerd zich van een onmiskenbare querulant te ontdoen door hem na 250 aanvragen en 450 bezwaar- en beroepsprocedures in een periode van 4,5 jaar (!) te laten weten dat zijn aanvragen en bezwaarschriften in principe niet meer in behandeling werden genomen. De Centrale Raad van Beroep keurde die handelwijze af op grond van de overweging dat de genomen beslissing geen steun kon vinden in het stelsel van de wet. De Awb kent wat de besluitvorming op een aanvraag betreft immers slechts de toewijzing of afwijzing van een aanvraag en het niet behandeling van een aanvraag met toepassing van artikel 4:5. Ingevolge die laatste bepaling kan het bestuursorgaan indien de aanvraag niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, besluiten de aanvraag niet te behandelen mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen. Verder volgt uit het systeem van de Awb dat een bestuursorgaan tijdig op een in te dienen bezwaarschrift dient te beslissen. Als handreiking aan het bestuur is in deze uitspraak nog wel vermeld dat een herhaalde aanvraag tot vergoeding van vergelijkbare kosten bij gebreke van zogenoemde nova in de zin van artikel 4:6 van de Awb met verwijzing naar een eerder besluit kan worden afgewezen, zonder dat de belanghebbende behoeft te worden gehoord. De Centrale Raad van Beroep wijst erop dat het bestuursorgaan op die manier binnen de grenzen van het bestaande wettelijke stelsel aanvragen en bezwaarschriften op de voor hem minst belastende wijze kan afhandelen.
In het voetspoor van de VNG is geprobeerd om oneigenlijk of overbodig gebruik van de Wob te ontmoedigen door het heffen van leges. De rechtbank ‘s-Gravenhage heeft echter door die rekening een streep gehaald door te oordelen dat de Wob geen bepalingen bevat met betrekking tot legesheffing, alsmede dat het verstrekken van informatie op grond van de Wob niet is te beschouwen als een dienst in de zin van artikel 229 eerste lid aanhef en onder b. van de Gemeentewet.
Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat bij het in behandeling nemen van een Wob-verzoek het algemene belang van openbaarheid van informatie moet worden voorondersteld. Het in dat geval gestelde individuele beroepsmatige belang van de indieners deed daaraan niet af, aangezien het derde lid van artikel 3 van de Wob nu eenmaal bepaalt dat de verzoeker bij zijn verzoek geen belang behoeft te stellen (uitspraak van 28 april 2010, LJN: BM 4074).
Genoemde uitspraak heeft inmiddels geleid tot Kamervragen van de zijde van Groen Links. Op het moment van schrijven is het antwoord op die vragen nog niet voorhanden. De VNG heeft laten weten zich niet bij deze uitspraak te willen neerleggen en de discussie te willen starten over een fundamentele aanpassing van de Wob. In een persbericht van 19 mei 2010 stelt zij dat de Wob geen vrijbrief moet zijn om de gemeente als onbetaalde loopjongen in te schakelen voor het vergaren van informatie. Bij sommige informatieverzoeken is geen sprake van een algemeen belang maar van een concreet individueel belang. Daarnaast wordt gesignaleerd dat burgers en journalisten de Wob in toenemende mate in combinatie met de Wet dwangsom en beroep gebruiken om geld te verdienen.
Of deze oproep weerklank vindt moet vooralsnog worden afgewacht. Gelet op de ervaringen in de praktijk is daar zeker iets voor te zeggen, juist vanwege het door de VNG benadrukte kostenaspect. Het is een interessante gedachte om de oplossing niet te zoeken in de beperking van het toepassingsbereik van de Wob in die zin dat de indienen een concreet individueel belang dient te stellen, maar juist in de zin dat aanvragen die kennelijk worden gedaan met een ander motief dan waarvoor de wetgever de Wob in het leven heeft geroepen, buiten toepassing mogen worden gelaten. Iets om op te pakken, voor het nieuwe kabinet?