In Capra Concreet van december 2009 werden de gevolgen van het arrest van het Europees Hof van Justitie (EHvJ) van 20 januari 2009 voor het Nederlandse ambtenarenrecht besproken. Dat arrest handelde over de opbouw van vakantierechten voor werknemers die langdurig arbeidsongeschikt zijn. Op dit moment is het voor ambtenaren zo geregeld dat er in geval van ziekte die langer duurt dan 6 maanden geen verlofopbouw meer plaatsvindt. Dat acht het Hof in strijd met de Europese regelgeving. Als met terugwerkende kracht de regelgeving - die het ontstaan van verlofstuwmeren tijdens ziekte tegengaat - onverbindend blijkt te zijn, kunnen forse claims tegemoet gezien worden. Werknemers en hun rechtsbijstandsverleners ruiken hun winst en dienen verzoeken in om uitbetaling van niet-genoten verlofdagen. Niet geschoten altijd mis, is voor hen het devies.
Maar hoe moeten overheidswerkgevers nu handelen ? Duidelijk is dat rechtspositieregelingen zullen moeten veranderen, maar hoe dan? Binnen de diverse overheidssectoren wordt verschillend gedacht over de uitleg van het arrest. Binnen sommige overheidssectoren wordt op dit moment het standpunt ingenomen dat de Europese vakantierichtlijn geen rechtstreeks werking heeft zodat de rechtspositieregeling onverkort geldt totdat deze gewijzigd is. Het is maar zeer de vraag of dit standpunt houdbaar is gelet op de jurisprudentie van de ambtenarenrechter en het Europese Hof. Het is misschien wel een praktisch standpunt dat ruimte geeft om af te wachten hoe de hoogste ambtenarenrechter, de literatuur en andere overheidssectoren de materie zullen beoordelen, maar afwachten en schuilen lijkt niet zinvol.
Binnen sector Rijk hebben de overlegpartners recentelijk gekozen voor een tussenoplossing. In afwachting van een wijziging van de ARAR, heeft de Minister van Binnenlandse Zaken een circulaire vastgesteld die een werkwijze bevat voor verlof en situaties van langdurige arbeidsongeschiktheid.