Op 16 juni jl. heeft de Commissie Bakker haar bekende rapport gepresenteerd, getiteld: “Een toekomst die werkt”. Een opmerkelijke titel aan de vooravond van wat door sommigen al wordt gekwalificeerd als de tweede Grote Depressie.
In het rapport wordt sterk de nadruk gelegd op maatregelen ter bevordering van de arbeidsparticipatie, voorkoming van ontslag en begeleiding naar ander werk.
Een opmerkelijk punt in het rapport is het voorstel om een zogenaamde ‘transferperiode’ in te lassen, waarin de werkgever het loon doorbetaalt. Gedurende deze periode dient gestreefd te worden naar re-integratie van werknemers die van baan moeten veranderen. De onderliggende boodschap is dat langdurige inactiviteit zoveel mogelijk moet worden vermeden. De Commissie wijst op het belang aan de zijde van zowel werkgever als werknemer bij spoedige doorstroming naar ander werk. Dit belang wordt vergroot door de werkgever de transferperiode te laten financieren en van de werknemer een bijdrage te verlangen ten behoeve van zijn re-integratie, en wel door financiering van een deel van het daarvoor benodigde budget.
De transferperiode zou volgens de Commissie maximaal zes maanden mogen bedragen. Daarin is de werkgever verantwoordelijk voor de re-integratie van de werknemer. Na de transferperiode vindt een poortwachtertoets plaats om na te gaan of beide partijen zich voldoende hebben ingespannen om werk te vinden. Daarna zou een sectorgefinancierde periode van zes maanden moeten gelden, aldus de Commissie. Het voorstel strekt tot een soort wachtgeldregeling gedurende zes maanden, waarbij de financiering plaatsvindt uit door de sectorwerkgevers af te dragen premies. De eindverantwoordelijkheid voor de re-integratie zou gelegd moeten worden bij de zogenaamde Locaties voor Werk en Inkomen (LWI).
Na deze eerste twee fasen zou de derde fase moeten bestaan uit een zogenaamde Voorziening voor Werk en Inkomen, uit te voeren door de LWI. De financiële verantwoordelijkheid legt de Commissie bij de gemeenten, terwijl het budget uit de algemene middelen afkomstig zou moeten zijn (vergelijkbaar met de systematiek van de WWB).
De totale duur van de drie fasen zou korter moeten zijn dan die van de huidige WW. De Commissie gaat ervan uit dat een beroep op de derde fase slechts in uitzonderlijke gevallen aan de orde zou zijn. De totale duur van de zogenaamde Werkverzekering (de fasen 1 tot en met 3) zou berekend moeten worden conform de huidige WW-systematiek. Het komt erop neer dat per gewerkt jaar recht zou ontstaan op één maand WV. De poortwachtertoets aan het begin van de tweede fase dient ervoor te zorgen dat de prikkel voor werkgever en werknemer zo sterk mogelijk is om vóór het einde van de eerste fase de werknemer een nieuwe functie te bezorgen.
De Commissie legt de nadruk op het vermijden van ontslag respectievelijk het vermijden van inactiviteit na ontslag. De Commissie vindt ook dat bescherming van werknemers tegen onrechtmatig ontslag dient te blijven bestaan. Opmerkelijk in dit verband is dat de Commissie voorstelt om het ontslag op initiatief van de werknemer door de rechter te laten toetsen, zoals dat ook in het ambtenarenrecht gebeurt. Daarmee zou de ontbindingsprocedure overbodig worden. De rechter dient dan te toetsen of er een gegronde reden is voor ontslag. Dit onderdeel van de voorstellen sluit enigszins aan bij de voorstellen van de zogenaamde Commissie Rood van een aantal jaren geleden, die ook al eens voorstelde om een aantal elementen uit het ambtenarenrecht over te nemen in het civiele arbeidsrecht.
Voorts gaat de Commissie uit van een wettelijke opzegtermijn van één maand. Daarna gaat de hiervoor bedoelde transferfase in. Eerst aan het einde van de transferfase gaat het ontslag in, tenzij de rechter oordeelt dat het ontslag onrechtmatig is. In dat geval loopt het dienstverband in beginsel gewoon door. Bij wijze van alternatief kan de rechter ook het dienstverband ‘beëindigd verklaren’ en de werknemer een vergoeding toekennen, bijvoorbeeld wanneer sprake is van ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van de werkgever.
Opvallend is dat bij de bespreking van de Commissie Bakker in de literatuur inmiddels herhaaldelijk is verwezen naar de aanpassingen die per 1 juli 2008 zijn doorgevoerd in de CAR/UWO, zoals deze geldt voor de Sector Gemeenten. Ook is meer in zijn algemeenheid gewezen op het Nederlandse ambtenarenrecht, omdat ook daar sprake is van ontslagbescherming, gebaseerd op repressieve in plaats van preventieve rechterlijke toetsing en ontslagvergoedingen in beginsel niet aan de orde zijn. Bovendien kent het ambtenarenrecht meer regels die betrekking hebben op re-integratie en herplaatsing.
De nieuwe CAR/UWO sluit volledig aan bij de aanbevelingen van de Commissie Bakker, in het bijzonder wat betreft de re-integratiefase, het daarin genoemde re-integratiebudget van maximaal € 7.500,--, de verplichtingen die gelden voor zowel werkgever als werknemer, de bepaling van de uitkeringsduur, etc.. De conclusie is dan dat de huidige CAR/UWO de modernste arbeidsvoorwaardenregeling in Nederland is en als model kan gaan fungeren voor zowel de andere overheidssectoren als de onderhandelende partijen in de private sector.
Wellicht is de pioniersgeest bij de onderhandelende partijen die aan de totstandkoming van de gewijzigde CAR/UWO hebben bijgedragen, er debet aan dat er nogal wat ‘schoonheidsfoutjes’ in de tekst van de CAR/UWO schuilen. Indien verbetering dan wel verduidelijking uitblijft, zal de rechter in de komende jaren een aantal knopen moeten gaan doorhakken. Wat bijvoorbeeld te denken van de volgende vragen:
- Is in geval van ontslag op grond van artikel 8:8 CAR/UWO nog sprake van een minimum garantie?
- In welke gevallen bestaat er recht op een zogenaamde nawettelijke uitkering bij ontslag op grond van artikel 8:6 CAR/UWO?
- Geeft artikel 10d:5, lid 1 CAR/UWO ook recht op een re-integratiefase aan een ambtenaar die een dienstverband heeft van minder dan twee jaar?
- Geldt er nog een herplaatsingsverplichting in situaties waarin sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid?
- Wat zijn de consequenties van bestaande Sociaal Plannen voor de re-integratiefase na een reorganisatieontslag?
Ongetwijfeld zullen deze en andere vragen in de komende tijd bij diverse gremia aan de orde worden gesteld. De beantwoording van die vragen kan mede van belang zijn voor andere regelingen die het CAR/UWO-voorbeeld zullen volgen.