In een op 10 juni 2008 verschenen artikeltje bij de VNG pleit VNG-voorman Bas Verkerk voor normalisatie van de arbeidsvoorwaarden. De argumenten lijken legitiem. Bevordering doorstroming ouderen, verhoging mobiliteit in zijn algemeenheid, de arbeidsmarktpositie concurrerend en aantrekkelijk maken. Argumenten die tegenpleiten worden met gemak weggewuifd.
Zo wordt tussen neus en lippen door gezegd, op een wijze alsof dit van volstrekt ondergeschikt belang zou zijn, dat uit “vroegere” berekeningen blijkt dat het eigen risicodragerschap van de overheidswerkgever goedkoper is dan een vereniging met de marktsector.
Inmiddels is er in de lijn van het pleidooi van Verkerk zelfs een set van afspraken tussen de zelfstandige publieke werkgevers en de Minister van Binnenlandse Zaken tot stand gekomen, waarbij tussen de partijen is afgesproken, dat men elkaar twee maal per jaar zal treffen, teneinde te spreken over, laat ik het kort noemen, de mogelijkheden inzake de normalisatie van de arbeidsvoorwaarden binnen de overheid.
De vraag is echter of de uitgangspunten die in deze afspraken gememoreerd worden wel zo correct zijn. Zo wordt – ik vermeldde dat al - er in de eerste plaats gewezen naar “vroegere” doorberekeningen met betrekking tot het eigen risicodragerschap aangaande de uitkering. Die zouden hebben uitgewezen dat een systematiek waarbij de uitkeringslasten door de overheidswerkgever zelf gedragen blijven, wezenlijk goedkoper is dan invoering van het in de private sector geldende premiestelsel. Bij het begrip “vroeger” kan al een kanttekening geplaatst worden. “Vroeger” was immers nog dit voorjaar, toen een ambtelijke werkgroep rapporteerde dat de kosten, verbonden aan de afschaffing van het systeem van eigen risicodragerschap, een veelvoud bedragen afgezet tegen de revenuen van de invoering van een premiestelsel voor ambtenaren. Financiële doorrekening leert dan ook, wat in de jaren ’80 al bekend was: de afschaffing van het uitkeringsstelsel in het ambtenarenrecht is duurder dan de handhaving ervan. In een tijd van bezuinigingen lijkt dit al een doorslaggevend argument te zijn om hier vooral niet aan te beginnen.
Te makkelijk wordt voorts gezegd dat normalisatie en harmonisering leiden tot een betere doorstroming. Naar mijn mening is het te makkelijk te veronderstellen dat een gelijkschakeling van de uitkeringsstelsels maakt dat oudere ambtenaren die binnen de overheid vast zijn gelopen danwel overbodig zijn geworden, binnen de private sector probleemloos een werkplek zullen vinden. Daar zijn naar mijn mening andere middelen voor nodig. Middelen overigens, die - zie bijvoorbeeld recente wijzigingen binnen de rechtsposities van de waterschappen en de gemeenten - nu wel al mondjesmaat ingezet worden. In de lijn ook van de conclusies van de commissie Bakker, wordt er immers meer dan voorheen bij dreigende werkloosheid gestuurd op behoud van werk (althans dat is de bedoeling) en zijn re-integratieinstrumenten in de diverse uitkeringsregelingen van waterschappen en gemeenten een prominente plaats in gaan nemen. De uitkering is nog slechts opgenomen als vangnet in een 'worst case'-scenario, namelijk indien de reintegratie naar ander werk niet slaagt. Dit nu lijkt mij een veel probater middel met betrekking tot het stimuleren van doorstroming, dan het ongefundeerd roepen dat normalisering van de arbeidsvoorwaarden leidt tot een hogere mobiliteit. Bovendien zijn de kosten van een gericht re-integratiebeleid wezenlijk lager dan de kosten verbonden aan harmonisatie.
Harmonisatie zou overigens binnen de diverse overheidssectoren zelf voor wat betreft het uitkeringsregime wel uitermate wenselijk zijn. Ik stel vast dat verschillende sectoren - gemeenten, waterschappen, provincies - in toenemende mate uit elkaar groeien. Zo wordt nog altijd de ambtenaar die wegens gebleken ongeschiktheid anders dan wegens ziekte of gebrek bij het Rijk wordt ontslagen en die aan de instroomtoets in de WW voldoet, in het genot gesteld van een WW-uitkering inclusief aanvullend en aansluitend deel. Voor een ambtenaar van 50 jaar met 30 jaar overheidsdienst betekent dit dat hij tot aan zijn pensioen verzekerd is van een uitkering, niet zakkend onder 70%. Diezelfde ambtenaar die in dienst van de gemeente wegens ongeschiktheid wordt ontslagen, krijgt een WW-uitkering van 32 maanden, met een aanvulling die gerelateerd is aan de hoogte van de laatstgenoten bezoldiging, maar grof gesteld nimmer meer zal bedragen dan maximaal 70% van die laatstgenoten bezoldiging. Diezelfde ambtenaar die vervolgens bij de provincie wegens gebleken ongeschiktheid anders dan wegens ziekte of gebrek wordt ontslagen, kan zich verheugen op een simpele WW-uitkering gebaseerd op het maximum dagloonstelsel en kan fluiten naar een aanvulling.
Wat is nu hiervan het gevolg?
Naar mijn mening remt dit de overheidswerknemersmobiliteit. Immers, een ambtenaar die al 20 jaar bij het Rijk werkt, zal zich wel vier keer bedenken voordat hij een overstap maakt naar de provincie. Voor een gemeenteambtenaar, voor wie op grond van de wijzigingen van de CAR/UWO medio juli van dit jaar alleen nog de gemeentelijke diensttijd bepalend is voor de lengte van een na-wettelijke uitkering, heeft te gelden dat hij een langdurig gemeentelijk dienstverband niet graag onderbroken wil zien door een overstap naar een andere niet-gemeentelijke werkgever. Willen de overheidswerkgevers de arbeidsmobiliteit bevorderen, dan zou het toch alleszins aanbeveling verdienen indien zij eerst een keer de eigen arbeidsvoorwaarden harmoniseren, voordat zij zich aan die veel besproken en kostbare klus van harmonisering met de private sector zetten.