
Ook de CAO voor de sector gemeenten is gewijzigd. De belangrijkste wijzigingen worden doorgevoerd in de bovenwettelijke sociale zekerheid. Net als in de sector waterschappen hebben partijen afgesproken dat er naar gestreefd wordt om werk zoveel mogelijk te behouden bij werkloosheid en arbeidsongeschiktheid.
De CAO voor de sector gemeenten is per 1 juli 2008 gewijzigd.
De belangrijkste wijzigingen worden doorgevoerd in de bovenwettelijke sociale zekerheid. Net als in de sector waterschappen hebben partijen afgesproken dat er naar gestreefd wordt om werk zoveel mogelijk te behouden bij werkloosheid en arbeidsongeschiktheid. In geval van de arbeidsongeschikte medewerker staat zijn reïntegratie dus centraal. Bij (dreigende) werkloosheid wordt ingezet op het verkrijgen van een andere baan. De werkgever en de werknemer zijn beiden gehouden om inspanningen te leveren tot behoud van de werkgelegenheid. Er worden opzegtermijnen ingevoerd die er voor moeten zorgen dat partijen voldoende tijd hebben om de werknemer te reïntegreren naar ander werk. De lengte van de opzegtermijn - ofwel reïntegratiefase - is afhankelijk van de duur van het dienstverband en varieert van 4 maanden tot één jaar. Gedurende deze opzegtermijn bekostigt de werkgever faciliteiten om de externe reïntegratie te laten slagen, zoals een outplacement- of coachingstraject (tot een maximum van € 7.500,-).
Indien het ondanks de inspanningen van beide partijen niet mogelijk is om werkloosheid te voorkomen, ontstaat - naast de WW-uitkering - een recht op de bovenwettelijke uitkeringen. De overlegpartners spraken af dat de duur en hoogte daarvan zullen wijzigen. De aanvullende uitkering wordt uitbetaald zolang de medewerker een WW-uitkering ontvangt. De uitkering bedraagt een bepaald percentage van de laatste bezoldiging, waarbij twee uitkeringsfasen worden ingevoerd. In principe zal de hoogte van de aanvullende uitkering tijdens de eerste fase - die maximaal 12 maanden duurt - 80% van de laatste bezoldiging zijn, echter voor de inkomens boven het maximumdagloon kan het inkomenspercentage na ontslag lager uitvallen. Tijdens de tweede fase is het uitgangspunt dat de uitkering maximaal 70% van de laatste bezoldiging is, zij het dat dit percentage, vanwege de invoering van het maximumdagloon, niet altijd wordt gehaald indien er sprake was van een hoge bezoldiging.
Na afloop van de WW-uitkering ontstaat een recht op een nawettelijke uitkering (op dit moment nog de aansluitende uitkering genoemd). De duur van de nawettelijke uitkering wordt berekend aan de hand van een kantonrechtersachtige formule waarbij de leeftijd en het arbeidsverleden in gemeentedienst bepalend zijn. Niet langer telt het gehele arbeidsverleden in overheidsdienst mee, uitsluitend gemeentelijke dienstverbanden tellen mee bij de berekening van de uitkeringsduur! De nawettelijke uitkering is net zo hoog als de WW-uitkering (70% van de laatste èn gemaximeerde bezoldiging). Medewerkers met een inkomen boven het maximumdagloon zullen dus minder dan 70% van de laatste bezoldiging ontvangen. Het huidige uitkeringsstelsel wijzigt hiermee ingrijpend. De nawettelijke uitkering eindigt hoe dan ook op de leeftijd van 62 jaar en negen maanden, zijnde het moment dat de ex-medewerker de spilleeftijd heeft bereikt om met (vroeg)pensioen te gaan. Gedurende 10 jaar na de inwerkingtreding van het nieuwe stelsel geldt een overgangsrecht voor medewerkers die 20 jaar in gemeentedienst werkzaam zijn.
Voor gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers wordt een derde ziektejaar ingevoerd. Tijdens dit derde ziektejaar gelden dezelfde rechten en plichten als in de voorgaande twee ziektejaren. Ontslag tijdens dit derde ziektejaar kan slechts onder bepaalde omstandigheden verleend worden.
De gewijzigde regeling bij werkloosheid en arbeidsongeschiktheid treedt in werking op 1 juli 2008.
Barbara Zippelius