Sinds 1 juli 2008 heeft de wetgever de belemmeringen die bestonden voor het verhalen van kosten op de veroorzaker van een ongeval verruimd.
De verantwoordelijkheid voor de inkomensbescherming van de zieke werknemer is voor werkgevers het laatste decennium ingrijpend gewijzigd. Sinds 1994 is de rol van de Ziektewet langzaam maar zeker beperkt. Sinds 1996 is de loondoorbetalingsplicht verlengd naar 52 weken, en vervolgens per 1 januari 2004 naar 104 weken. Voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten kan zelfs sprake zijn van een derde ziektejaar. De werkgever is bij ziekte niet alleen verantwoordelijk voor de inkomensbescherming, maar ook voor de re-integratie van een zieke werknemer. Kern van de verplichtingen is dat de (overheids)werkgever al het redelijkerwijs mogelijke dient te doen om de kans op werkhervatting te vergroten.
Wanneer een derde de arbeidsongeschiktheid van een werknemer heeft veroorzaakt ziet de werkgever zich gesteld voor hoge loonkosten, maar ook voor kosten die voortvloeien uit de re-integratieverplichting. Dergelijke kosten kunnen verhaald worden op degene die de gebeurtenis heeft veroorzaakt als gevolg waarvan de arbeidsongeschiktheid is ontstaan. Verhaal kan plaatsvinden op de veroorzaker van een ongeval, maar ook bijvoorbeeld in geval van mishandeling kan een regresvordering worden ingesteld. De civiele werkgever kan de kosten verhalen op grond van artikel 6:107 van het Burgerlijk Wetboek, de overheidswerkgever kan zich beroepen op de Verhaalswet Ongevallen Ambtenaren (VOA).
In de praktijk is onduidelijkheid gerezen over de vraag volgens welke maatstaf beoordeeld moet worden of en tot welk bedrag deze kosten op een aansprakelijke derde verhaald kunnen worden. Deze onduidelijkheid komt voort uit het zogenaamde “civiel plafond”. Het uitgangspunt hield namelijk in dat een werkgever uitsluitend die kosten kan verhalen op een derde indien de werknemer - zo hij deze kosten zelf zou hebben gemaakt - deze ook had kunnen verhalen op de veroorzaker.
De wetgever heeft per 1 juli 2008 aan deze onduidelijkheden een einde gemaakt. In het nieuwe artikel 6:107a van het Burgerlijk Wetboek (BW) is nu bepaald dat een aansprakelijke derde gehouden is om het loon aan de werkgever te betalen, maar bovendien verplicht is tot vergoeding van de door de werkgever gemaakte redelijke kosten in het kader van de re-integratieverplichting. Voor overheidswerkgevers is in artikel 3a van de VOA een soortgelijke bepaling opgenomen. Volgens de wetgever is voor dit artikel zoveel mogelijk aangesloten bij de bedoeling van artikel 6:107a BW.
De werkgever kan dus sinds 1 juli 2008 ‘redelijke kosten’ die in het kader van de re-integratie gemaakt zijn, verhalen op de veroorzaker van een ongeval. Afhankelijk van het geval zal worden bezien of voldaan is aan deze redelijkheidstoets. De wetgever heeft als voorbeeld genoemd de kosten van het opstellen en evalueren van een plan van aanpak. Maar ook de kosten van het re-integratietraject waarbij een re-integratiebedrijf kan zijn ingeschakeld, kunnen worden gevorderd van de aansprakelijk derde. Volgens de wetgever kan verder gedacht worden aan de kosten van een opleiding vanwege noodzakelijke om- of bijscholing of de kosten van het volgen van een sollicitatietraining. Ook de kosten die nodig zijn om de werkplek of het werk zelf aan te passen aan de beperkingen of handicap van de werknemer, kunnen verhaald worden, aldus de wetgever.
Voor het succesvol verhaal van kosten is het niet nodig dat er voor de werkgever een verplichting bestond om deze kosten te maken. Ook in andere gevallen is namelijk verhaal aan de orde. Op grond van de regelgeving is de aansprakelijke derde immers ook tot vergoeding van kosten verplicht, indien de werknemer - zo hij deze kosten had gemaakt - deze van de aansprakelijke partij had kunnen vorderen. Te denken valt aan door de werkgever ten behoeve van een zieke werknemer gemaakte medische kosten.
De wetswijzigingen zijn per direct ingegaan. In lopende procedures kunnen stellingen en conclusies worden aangepast op de nieuwe regelgeving. Voor het verhaalsrecht geldt een verjaringstermijn van 5 jaren, hetgeen met zich brengt dat voor huidige ziektegevallen bezien kan worden of er verhaal mogelijk is van kosten op de veroorzaker van het letsel.
Barbara Zippelius