Voor politieke ambtsdragers zoals ministers, wethouders en gedeputeerden, is de rechtspositie na hun aftreden geregeld in de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa). In deze wet zijn voorschriften opgenomen over de duur en de hoogte van de uitkering na ontslag, over de pensioenopbouw en daaruit voorvloeiende pensioenaanspraken, alsmede over de invaliditeitsuitkering en het nabestaandenpensioen. Sinds 15 augustus 2001 heeft de Appa rechtstreekse werking. Naar aanleiding van de voorstellen van de commissie Dijkstal uit 2004 heeft de Tweede Kamer onlangs ingestemd met voorstellen om de Wet Appa te wijzigen.
Politieke ambtsdragers hebben op dit moment op grond van de Appa recht op wachtgeld. De uitkering wordt in principe toegekend voor een periode gelijk aan de tijd waarin de gewezen bestuurder in zijn ambt was benoemd. De minimumduur is twee jaar, de maximumduur is 6 jaar. Indien het ambt voor niet meer dan drie maanden werd vervuld bedraagt de uitkering zes maanden. Indien het ambt gedurende een periode van 10 jaar of langer aaneengesloten werd vervuld (of in een tijdsbestek van 12 jaar minstens 10 jaar) en indien de gewezen bestuurder op de datum van het aftreden 50 jaar of ouder is, wordt de uitkering verlengd tot de leeftijd van 65 jaar. De hoogte van de uitkeringsaanspraken bedraagt het eerste jaar 80% van de laatstgenoten wedde (inclusief vakantietoeslag en eindejaarsuitkering) en vanaf het tweede jaar 70%. De uitkering wordt aangepast aan de algemene salarisontwikkelingen binnen de sector Rijk.
De Tweede Kamer heeft ingestemd met voorstellen om de Wet Appa te wijzigen. De belangrijkste wijziging is de leeftijd waarop gewezen bestuurders in aanmerking komen voor een verlenging tot de leeftijd van 65 jaar. Deze leeftijd is verhoogd van 50 naar 55 jaar. Voorts wordt de maximale duur van de periode gedurende welke men recht heeft op wachtgeld verlaagd van zes naar vier jaar. Alle neveninkomsten van politieke ambtsdragers worden openbaar gemaakt en inkomsten uit nevenfuncties moeten vanaf een bepaald bedrag gedeeltelijk in mindering worden gebracht op de bezoldiging. Tenslotte wordt de sollicitatieverplichting aangepast in die zin dat de politieke ambtsdrager tot zijn 65ste jaar gehouden is om sollicitatieactiviteiten te verrichten. Voor zittende bestuurders zal een overgangsrecht worden vastgesteld.
Overigens zullen de salarissen van politieke ambtsdragers – in afwijking van het advies van de commissie Dijkstal – niet verhoogd worden. Het kabinet vond het ongewenst om in een tijd waarin bezuinigd moet worden, de voorgestelde salarisverhogingen door te voeren.
Barbara Zippelius