Op 17 april 2008 oordeelde de Centrale Raad van Beroep over een ontslag dat was verleend aan een gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer nadat deze bij voortduring weigerachtig was gebleven om een passende functie te verrichten.
Op 17 april 2008 oordeelde de Centrale Raad van Beroep over een ontslag dat was verleend aan een gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer nadat deze bij voortduring weigerachtig was gebleven om een passende functie te verrichten. Het ging om een ambtenaar die al langdurig gedeeltelijk arbeidsongeschikt was voor de eigen functie. Op enig moment bood het bevoegd gezag de ambtenaar een passende functie aan. Nadat deze een aantal malen weigerde om de werkzaamheden aan te vangen, heeft het bevoegd gezag na enkele maanden een plaatsingsbesluit genomen. Toen de ambtenaar ook nadien weigerachtig bleef het werk aan te vangen, heeft het bevoegd gezag haar gewaarschuwd dat er een ontslagprocedure in gang gezet zou worden indien zij wederom geen gehoor zou geven aan de oproep om te verschijnen. Het bevoegd gezag is nadien overgegaan tot ontslagverlening omdat de ambtenaar zich ook van deze oproep niets aantrok.
Het ontslag was volgens de Centrale Raad niet ten onrechte gegeven. Het bevoegd gezag had het ontslagbesluit niet plotseling genomen. Het had diverse re-integratiepogingen gedaan en heeft daarover op redelijke wijze met betrokkene gesproken, aldus de Raad. Ook het feit dat de ambtenaar diverse malen in de gelegenheid was gesteld om terug te keren van haar beslissing om de werkzaamheden niet te willen verrichten, maakte volgens de Raad dat het ontslagbesluit in redelijkheid genomen was.