Op 10 juli 2008 oordeelde de Centrale Raad van Beroep over een strafontslag dat aan een nachtbuschauffeur was gegeven vanwege meldingen van fraude. Passagiers zouden na betaling geen vervoersbewijzen ontvangen.
Op 10 juli 2008 oordeelde de Centrale Raad van Beroep over een strafontslag dat aan een nachtbuschauffeur was gegeven vanwege meldingen van fraude. Passagiers zouden na betaling geen vervoersbewijzen ontvangen. De werkgever installeerde daarop observatiecamera’s waarna bleek dat een aantal chauffeurs zich inderdaad schuldig had gemaakt aan fraude. Er volgde strafontslag. Nadat de Rechtbank had geoordeeld dat het ontslag geen stand kon houden, omdat het de werkgever op grond van artikel 441b van het Wetboek van Strafrecht is verboden om verborgen camera’s te plaatsen, heeft de Centrale Raad van Beroep nu anders geoordeeld.
De Raad oordeelde dat er weliswaar sprake was van een schending van het recht op privacy, maar dat deze toelaatbaar was op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Op grond van de Wbp mogen persoonsgegevens immers worden verwerkt indien dit noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van een derde, tenzij het belang op bescherming van de persoonlijke levenssfeer prevaleert. Indien dit aan de orde is, moet zijn voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dit betekent dat er sprake moet zijn van een evenredig middel gelet op het te bereiken doel, welk doel bovendien niet te bereiken is op een minder ingrijpende wijze.
In het geval van de buschauffeur meende de Raad dat voldaan was aan deze vereisten. De ernst van de meldingen maakte dat de werkgever terecht een onderzoek had ingesteld om de mogelijk strafbare feiten op te sporen, aldus de Raad. De Raad overwoog dat het onderzoek niet op een andere en minder ingrijpende wijze uitgevoerd kon worden. Van belang werd voorts geacht dat de camera’s slechts beperkt en gedurende een korte periode waren ingezet en in een (reeds) openbare ruimte. Bovendien waren de camera’s zo ingesteld, dat uitsluitend de positie van de nachtbuschauffeur in beeld werd gebracht. Met de werkgever was de Raad dan ook van oordeel dat voor het opsporen van plichtsverzuim opleverende feiten cameratoezicht noodzakelijk was geweest.
De Raad heeft zich in deze uitspraak ook uitgelaten over de vraag of het heimelijk plaatsen van camera’s een strafbare gedraging van de werkgever oplevert. In artikel 441b van het Wetboek van Strafrecht is immers een verbodsbepaling opgenomen voor het plaatsen van verborgen camera’s (zie hierover ook Capra Concreet 2008-5). De Raad overweegt dat in deze verbodsbepaling de term “wederrechtelijk” is opgenomen. Omdat er in dit geval was gehandeld binnen de grenzen van de Wbp, was niet voldaan aan de voorwaarde van wederrechtelijkheid, zodat de werkgever zich naar het oordeel van de Raad niet schuldig had gemaakt aan het gebruik van onrechtmatig verkegen bewijsmateriaal.