Op 29 mei 2008 heeft de Centrale Raad een uitspraak gedaan in een kwestie waarin de werkgever aan een ambtenaar het verbod had opgelegd om een nevenbetrekking uit te voeren.
Op 29 mei 2008 heeft de Centrale Raad een uitspraak gedaan in een kwestie waarin de werkgever aan een ambtenaar het verbod had opgelegd om een nevenbetrekking uit te voeren. De betrokken medewerker had zich in enig jaar vaak ziek gemeld. Tijdens een bezoek aan de bedrijfsarts kwam zijn nevenfunctie elders ter sprake. Nadat de bedrijfsarts had geadviseerd dat de duobaan te belastend voor hem was, heeft de werkgever aan een medewerker een verbod opgelegd tot het verrichten van de nevenfunctie. Daarbij overwoog de werkgever dat betrokkene niet in staat was om zijn werkzaamheden met de benodigde continuïteit te verrichten en dat er een verband bestond tussen de nevenwerkzaamheden en het ziekteverzuim.
Nadat de Rechtbank het beroep tegen de besluitvorming gegrond had verklaard omdat het oorzakelijk verband tussen het ziekteverzuim en het verrichten van de nevenbetrekking niet was aangetoond, oordeelde de Centrale Raad op 29 mei 2008 anders. De Raad onderschreef het standpunt van de werkgever dat het vervullen van de duobaan - want te belastend - kon worden verboden. Van belang daarbij achtte de Raad dat de opvatting van de bedrijfsarts ondersteund werd door de omstandigheid dat er sprake was van een hoog kortdurend ziekteverzuim. Voorts nam de Raad in aanmerking dat de nevenbetrekking op drie avonden per week en op een zaterdagochtend werd verricht. Omdat de betrokken medewerker zijn standpunt dat er geen sprake zou zijn van overbelasting vanwege de nevenbetrekking, niet met medische verklaringen had onderbouwd, oordeelde de Raad dat de werkgever terecht het verbod had uitgevaardigd tot het verrichten van nevenwerkzaamheden, omdat daardoor de goede vervulling van de ambtelijke functie door betrokkene niet in redelijkheid was verzekerd.