Geplaatst op: 15-11-2008 | Door:
Barbara Zippelius | Bron: HvJ EG 17 juli 2008, zaaknummer C-303/06, Coleman

In een arrest van 17 juli 2008 bepaalde het Europese Hof van Justitie dat de Europese richtlijn die ongelijke behandeling op grond van handicap verbiedt (2000/78), ook geldt voor personen die de zorg hebben voor gehandicapten.
In een arrest van 17 juli 2008 bepaalde het Europese Hof van Justitie dat de Europese richtlijn die ongelijke behandeling op grond van handicap verbiedt (2000/78), ook geldt voor personen die de zorg hebben voor gehandicapten.
Een Britse juridisch secretaresse, mevrouw Coleman, had een vordering ingesteld jegens haar voormalig werkgever, een advocatenkantoor. Toen de secretaresse was bevallen van een gehandicapt kind en na haar zwangerschapsverlof terugkeerde, had het advocatenkantoor haar geweigerd om haar vroegere baan terug te geven. Bovendien had de werkgever het verzoek van de secretaresse afgewezen om haar vanwege de zorgtaken dezelfde flexibele werktijden toe te kennen als haar collega’s. In de procedure stelde de secretaresse dat zij minder gunstig behandeld was dan de andere werknemers op grond van het feit dat zij de zorg had voor haar gehandicapte kind. De Britse rechter heeft het Europese Hof vervolgens verzocht om een prejudiciële beslissing te geven over de vraag of mevrouw Coleman zich kon beroepen op de richtlijn.
In antwoord op de gestelde prejudiciële vragen heeft het Europese Hof thans geoordeeld dat de richtlijn die discriminatie verbiedt op grond van handicap, ook geldt voor personen die op grond van een band met een gehandicapte persoon ongelijk worden behandeld. Volgens het Hof is het de bedoeling van de communautaire wetgever om met betrekking tot arbeid en beroep alle vormen van discriminatie op grond van handicap tegen te gaan waarbij de richtlijn niet uitsluitend van toepassing is op een bepaalde categorie personen. Bepalend is of er sprake is van ongelijke behandeling vanwege handicap, aldus het Hof.
In de media zijn na het arrest berichten verschenen dat de secretaresse met het arrest voor miljoenen burgers het recht op flexibele werktijden had verworven. Deze conclusie moet genuanceerd worden. Kenmerkend in dit geval was het gegeven dat de secretaresse het recht op flexibele werktijden werd onthouden terwijl de collega’s dit recht wel hadden. De handelwijze van de werkgever leverde in dit geval strijd op met de gelijke behandelingswetgeving. Indien er binnen de organisatie geen flexibele werktijden zouden zijn gehanteerd, zou er geen sprake zijn geweest van verboden onderscheid. In dat geval zou de secretaresse geen flexibele werktijden hebben kunnen afdwingen met een beroep op de richtlijn.
Het belang van de uitspraak voor de rechtspraktijk bestaat uit het oordeel van het Europese Hof dat niet uitsluitend gehandicapten, maar ook personen die belast zijn met de zorg voor gehandicapten, zich in het kader van arbeid en beroep kunnen beroepen op gelijke behandelingswetgeving die verbiedt om onderscheid te maken op grond van handicap.