Na de Hoge Raad heeft ook de Centrale Raad van Beroep recent bepaald dat verkeersboetes op werknemers verhaald kunnen worden. Volgens de Raad heeft voor ambtenaren net als voor civiele werknemers te gelden dat zij de boetes voor verkeersovertredingen zelf moeten betalen tenzij de ambtenaar van de verkeersovertreding geen verwijt kan worden gemaakt.
De Raad oordeelde over de verkeersboete van € 27,- die als gevolg van een overtreding door een politierechercheur aan de Politieregio als kentekenhouder was opgelegd. Tijdens diensttijd had hij zeven kilometer per uur te hard gereden. De boete was op de rechercheur verhaald op grond van artikel 68 van het Besluit Arbeidsvoorwaarden Politie (BARP), op grond van welk artikel het bevoegd gezag de ambtenaar kan verplichten de door de dienst geleden schade voor zover deze aan de ambtenaar te wijten is, geheel of gedeeltelijk te vergoeden. Volgens de Korpsbeheerder was er sprake van verwijtbaarheid. Van een politieambtenaar mag immers bijzondere oplettendheid verwacht worden daar waar het gaat om zich te houden aan de geldende verkeersregels. Ook uit het oogpunt van integriteit mag van de politieambtenaar verwacht worden dat hij geen onnodige verkeersovertredingen maakt. Bovendien hanteert het korps de richtlijn dat er sprake is van opzet of daarmee gelijk te stellen roekeloosheid indien er geen noodzaak is voor een politiemedewerker om een verkeersovertreding te begaan, als gevolg van welke richtlijn de opgelegde boete op de ambtenaar kan worden verhaald.
Volgens de rechercheur was er echter geen sprake van opzet of bewuste roekeloosheid. Het was een eenmalige geringe fout die eenieder - ook een politieambtenaar die veelvuldig aan het verkeer deelneemt - een keer kan overkomen. Reeds om die reden had de korpsbeheerder in dit geval reden moeten zien om van het beleid af te wijken, aldus de rechercheur.
Volgens de Centrale Raad van Beroep bevat artikel 68 van de BARP een specifieke rechtspositionele bepaling voor de verhaalsmogelijkheden op de ambtenaar die schade toebrengt aan zijn werkgever. Volgens vaste rechtspraak heeft voor dergelijke bepalingen te gelden dat van de daarin vervatte bevoegdheid tot het verhalen van schade op de ambtenaar eerst gebruik gemaakt kan worden indien de ambtenaar op een verwijtbare wijze een nodeloos risico heeft genomen, waarbij geldt dat in het algemeen sprake moet zijn van een aan opzet of bewuste roekeloosheid grenzende ernstige verwijtbaarheid. Voor het verhaal van verkeersboetes dient volgens de Raad echter een uitzondering op voorgaand uitgangspunt gemaakt te worden.
De Raad formuleert voor verkeersboetes het uitgangspunt dat het bevoegd gezag de opgelegde boetes kan verhalen, tenzij de ambtenaar van die overtreding geen verwijt kan worden gemaakt. Dit laat de bevoegdheid onverlet, aldus de Raad, om in individuele gevallen, ondanks een mogelijk verwijt aan de ambtenaar, toch niet tot verhaal over te gaan. Alvorens de boete verhaald kan worden dient de ambtenaar wel in de gelegenheid gesteld te worden om zijn zienswijze over het voorgenomen verhaalsbesluit kenbaar te maken.
De Raad heeft in de uitspraak expliciet verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 13 juni 2008 waarin werd geoordeeld dat werkgevers in de civiele sector verkeersboetes kunnen verhalen op hun werknemers. Zie hierover Capra Concreet juli/augustus 2008.
Met dit arrest is het mogelijk geworden om verkeersboetes die worden opgelegd vanwege verkeersovertredingen die met de dienstauto zijn begaan tijdens diensttijd te verhalen op de ambtenaar. Capra raadt aan om beleidswijzigingen op dit punt via een interne mededeling bekend te maken aan de medewerkers.