In een recente uitspraak heeft de rechtbank Middelburg de ziekte van Lyme - die wordt veroorzaakt door een tekenbeet - in het geval van een voormalige veldwachter die voor zijn werk veel in de natuur had doorgebracht, beschouwd als een beroepsziekte. Volgens de voormalige veldwachter had hij de ziekte opgelopen in de jaren ’80 toen hij bij de Rijkspolitie werkzaamheden verrichtte in de natuur. Als veldwachter hield hij toezicht op het schieten van fazanten en het controleren op strikken waarmee jacht werd gemaakt op reeën. Ook had hij - liggend onder struiken - veelvuldig gepost op stropers. Verder moest hij aangereden reeën en damherten afvoeren, welke dieren volgens hem onder de teken en andere insecten zaten.
In de tijd waarin hij de aandoening heeft opgelopen, te weten in de jaren ’80, verstrekte de werkgever volgens de veldwachter nog geen beschermende handschoenen en kleding. Hij had de ziekte van Lyme opgelopen waardoor hij langdurig was uitgevallen. Zijn salaris werd als gevolg daarvan op enig moment met 20% gekort. De voormalige veldwachter had een belang bij het laten aanmerken van de aandoening als beroepsziekte, omdat dan de salariskorting ongedaan gemaakt zou worden.
Volgens de voormalige werkgever was er geen sprake van een beroepsziekte, deze betwistte de stelling dat de tekenbeet tijdens werktijd had plaatsgevonden. De korpsleiding achtte het zelfs waarschijnlijk dat dit tijdens privétijd was gebeurd nu de voormalig veldwachter ook tijdens het uitoefenen van zijn hobby’s van fotografie en schilderen regelmatig in de natuur verbleef. De korpsleiding stelde dat deze wel degelijk beschermende kleding had verstrekt in de periode waarin de aandoening was ontstaan. Ook diende volgens de werkgever rekening gehouden te worden met het gegeven dat de veldwachter als zoon van een jachtopziener een belangrijk deel van zijn leven in de natuur had doorgebracht zodat hij bekend was met de risico’s van teken.
Uitgaande van de rapportages van een ingeschakelde neuroloog en de vaststelling van de aard van de werkzaamheden achtte de rechtbank het echter wel waarschijnlijk dat de werkzaamheden en de werkomstandigheden van de voormalige veldwachter de ziekte van Lyme daadwerkelijk bij hem hadden veroorzaakt. Daarmee was voldaan aan de definitie van een beroepsziekte in de zin van de rechtspositionele voorschriften van de politie zodat de aandoening als een beroepsziekte diende te worden aangemerkt. Het was volgens de rechtbank aannemelijk dat de voormalige veldwachter gedurende een reeks van jaren veelvuldig met teken in contact was geweest en ook door teken was gebeten. De vaststelling dat voormalige collega’s hadden verklaard dat zij ook veelvuldig door teken waren gebeten ondersteunde dat oordeel, aldus de rechtbank. De stelling van de werkgever dat de besmetting waarschijnlijk tijdens privétijd had plaatsgevonden, werd door de rechtbank gepasseerd. De kans dat de tekenbeet was opgelopen tijdens het uitoefenen van zijn hobby’s in de natuur achtte de rechtbank verwaarloosbaar klein.
Bijzonder aan deze uitspraak is dat de werknemer niet hoefde te bewijzen dat hij de tekenbeet tijdens de werkzaamheden had opgelopen. De rechtbank heeft aan de hand van een statistische redenering geconcludeerd dat dit zeer waarschijnlijk was. Niet onaannemelijk is dat de korpsleiding in hoger beroep zal gaan. Het is de vraag of de Centrale Raad van Beroep zich zal vinden in deze bewijsredenering. Indien de uitspraak overeind blijft, zal het voor werknemers die voor hun werk veel in de natuur verblijven, gemakkelijker worden om erkend te krijgen dat ze een beroepsziekte hebben opgelopen. Dit noopt tot voorzorgsmaatregelen voor werkgevers, die overigens reeds op grond van de Arbo-wetgeving gehouden zijn om werknemers te voorzien van beschermende kleding.