Onlangs oordeelde de Centrale Raad van Beroep over een kwestie waarbij een tweetal ontslagen ambtenaren de beslissing van hun werkgever om geen afscheidsreceptie voor hen te organiseren had aangevochten. De werkgever van het tweetal, de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, had een onderzoek ingesteld nadat er geruchten rondgingen dat betrokkenen zich onaanvaardbaar hadden gedragen.
In verband met het onderzoek was hun de toegang tot de dienstgebouwen en het werk ontzegd. Enkele weken nadien deelde de Staatssecretaris de ambtenaren in een brief mee dat zij niet disciplinair werden gestraft en dat zij niet konden terugkeren in hun functies tot de datum waarop zij gebruik zouden maken van de FPU-regeling. Bovendien meldde de Staatssecretaris in deze brief dat zij niet in de gelegenheid werden gesteld om officieel afscheid te nemen van hun collega’s. De ambtenaren maakte bezwaar tegen dat laatste, zij wilden dat er een afscheidsreceptie voor hen werd georganiseerd. De staatssecretaris en de rechtbank oordeelden vervolgens dat het bezwaar niet ontvankelijk was omdat dit niet gericht was tegen een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De Centrale Raad van Beroep volgde hen niet. De Raad – die had geconstateerd dat het houden van een afscheidsreceptie bij een FPU-ontslag gebruikelijk was – oordeelde dat de Staatssecretaris de ambtenaren een recht had onthouden zodat de beslissing wel moest worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Awb. De Rechtbank had dan ook ten onrechte geoordeeld dat de ambtenaren niet ontvankelijk waren geweest in hun bezwaren, aldus de Raad.
Na deze vaststelling heeft de Raad vanuit een oogpunt van finale geschillenbeslechting inhoudelijk in de zaak voorzien en getoetst of de weigering om een afscheidsreceptie te organiseren terecht tot stand was gekomen.
De weigering van de Staatssecretaris was gebaseerd op de uitkomsten van het integriteitsonderzoek. Volgens de Raad leverden die uitkomsten onvoldoende grond om geen afscheidsreceptie te organiseren. Uit het onderzoek was met betrekking tot de ene ambtenaar vast komen te staan dat hij zich had bediend van grof taalgebruik en collega’s op insinuerende wijze had aangesproken. Ook met betrekking tot de andere ambtenaar was uit het onderzoek gebleken dat er kanttekeningen konden worden geplaatst bij zijn gedrag. Omdat beide ambtenaren echter nooit door hun leidinggevenden waren aangesproken leverde hun gedrag volgens de Raad onvoldoende grond om de ambtenaren een afscheidsreceptie te onthouden. De Raad heeft het hoger beroep van de gewezen ambtenaren dan ook gegrond verklaard. Omdat deze inmiddels in de loop van de procedure hadden aangegeven dat zij geen prijs meer stelden op een officieel afscheid heeft de Raad in plaats daarvan aan ieder een genoegdoening van € 500,- toegekend.
De beide gewezen ambtenaren hadden ook een schadevergoeding van € 600.000,- gevorderd van hun voormalige werkgever. Zij stelden dat zij materiële en immateriële schade hadden geleden als gevolg van onrechtmatig handelen. De schadeclaims waren in een aparte procedure behandeld.
De immateriële schade zou volgens betrokkenen zijn veroorzaakt door het interne onderzoek èn de wijze waarop de werkgever in een interne memo informatie had verstrekt over de uitkomsten van het onderzoek. Volgens de Raad was echter niet in te zien dat het interne onderzoek tot schade voor betrokkenen had geleid. Aan betrokkenen was immers geen disciplinaire maatregel opgelegd. Het instellen van het onderzoek was volgens de Raad dan ook geen grond om aan te nemen dat betrokkenen schade zouden hebben geleden. Met betrekking tot de interne communicatie oordeelde de Raad dat de werkgever op enig moment een tweede memo had verspreid waarin namens de Staatssecretaris was gesteld dat er geen bewijs was gevonden dat betrokkenen onregelmatigheden zouden hebben gepleegd. Ook al vond de Raad dat deze memo geruime tijd op zich had laten wachten, toch zag de Raad in het tijdsverloop onvoldoende grond voor het oordeel dat er sprake zou zijn van aantasting van de eer en de goede naam van betrokkenen. Er was dan ook geen grond om een immateriële schadevergoeding toe te kennen, aldus de Raad.
Met betrekking tot de materiële schade oordeelde de Raad tenslotte dat betrokkenen er niet in geslaagd waren om aan te tonen dat er een causaal verband bestond tussen het niet doorgaan van de ondernemingsplannen van betrokkenen en het handelen vanwege de Minister. Het hoger beroep van betrokkenen in deze procedure werd ongegrond verklaard.