Bestuursrechtelijke procedures kunnen lang duren en ambtenarenrechtelijke procedures vormen daar geen uitzondering op. Als een besluit juridisch aangevochten wordt, kan het jaren duren totdat het moment daar is dat, bij het volledig doorlopen van alle instanties, in hoger beroep door de Centrale Raad van Beroep is beslist en er dus definitief juridische duidelijkheid is. De lange duur van deze procedures kan in strijd komen met artikel 6 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens, dat waarborgen biedt voor adequate toegang tot de rechter. Indien van strijd met dit artikel sprake is kan dat reden geven tot toekenning van schadevergoeding, zowel voor materiële schade als voor immateriële schade.
In een recente uitspraak van 26 januari 2009 heeft de Raad meer duidelijkheid verschaft met betrekking tot de vraag wanneer er sprake is van overschrijding van redelijke termijnen. althans in sociale zekerheidszaken, en over de bedragen die met de vergoeding voor immateriële schade gemoeid kunnen zijn.
De Raad stelde vast dat in sociale zekerheidszaken er in beginsel sprake is van overschrijding van de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties, indien die procedure in haar geheel, te rekenen vanaf het moment dat bezwaar wordt gemaakt. langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. Is dat het geval, dan dient per instantie (bezwaar, beroep en hoger beroep) bekeken te worden of er sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd. Voor de bezwaar fase geldt daarbij een termijn van een halfjaar, voor de beroepsfase anderhalf jaar, en voor de fase van het hoger beroep geeft de Raad zichzelf twee jaar.
De vergoeding voor immateriële schade wordt door de Raad in het algemeen vastgesteld op een bedrag van € 500 per halfjaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.
Maar waar wordt vervolgens de rekening gepresenteerd? Interessant in de uitspraak van 26 januari 2009 was dat de Raad zelf verantwoordelijk was voor veruit het grootste gedeelte van de termijnoverschrijding. Dat was voor de Raad reden om 'de Staat der Nederlanden' bij de procedure te betrekken. De Raad valt immers zelf onder 'de Staat der Nederlanden'. Hiermee is de Raad een andere koers gaan volgen dan voorheen. Bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 8 december 2004 stelde de Raad nog vast dat "een belanghebbende zich voor de gevolgen die moeten worden verbonden aan schending van een redelijke termijn bij de rechterlijke behandeling van een zaak tot de burgerlijke rechter dient te wenden", en wel "bij gebreke aan een wettelijke voorziening (…)". Nu trekt de Raad het oordeel naar zichzelf toe door een wat ruimere - in de uitspraak staat "verdragsconforme" - uitleg van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht. Dat artikel geeft de rechter de mogelijkheid geeft een partij aan het geding deel te laten nemen. Ook artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht wordt verdragsconform toegepast. Dit artikel biedt aan de rechter de mogelijkheid om het onderzoek te heropenen om een uitspraak te kunnen doen over schadevergoeding.
Zoals gezegd ging het in de uitspraak van 26 januari 2009 om een sociale zekerheidskwestie. De vraag is wat de Raad in een ambtenarenrechterlijke kwestie onder een redelijke termijn verstaat. Een aanknopingspunt zou de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep 30 december 2003 kunnen bieden, waarin de Raad vaststelde dat een termijn van vijf jaar en drie maanden, te rekenen vanaf datum indiening bezwaarschrift, in ieder geval te lang was. Het ging hier overigens over een wachtgeldkwestie, die weer veel weg heeft van een sociale zekerheidskwestie.
Eerder stelde de Raad van State in een ruimtelijke ordeningskwestie vast dat een totale termijn van ten hoogste vijf jaar nog redelijk was, waarbij de behandeling van het bezwaar ten hoogste één jaar mag duren, en de behandeling van het beroep en het hoger beroep ieder twee jaar.
Toekenning van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn staat in beginsel los van de inhoud van de zaak. In de uitspraak van 8 december 2004 verklaarde de Raad het hoger beroep weliswaar gegrond vanwege strijd met artikel 6 EVRM en vernietigde hij het bestreden besluit, maar de Raad liet de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand omdat het inhoudelijk juist was.
In de aangehaalde uitspraken liet de rechter zich uit over de totale juridische procedure. Ondertussen is de wetgever bezig met de 'Wet beroep bij niet tijdig beslissen', dat de oplegging van dwangsommen regelt aan bestuursorganen die de wettelijk voorgeschreven beslistermijnen niet naleven. Deze wet wordt naar alle waarschijnlijkheid ingevoerd in combinatie met een (beperkte) verlenging van een aantal wettelijke beslistermijnen. Overigens hebben diverse overheden al op eigen initiatief een verordening opgesteld die oplegging van dwangsommen wegens termijnoverschrijding regelt.