Het komt nogal eens voor dat er met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) bij overheidsinstanties documenten worden opgevraagd die te maken hebben met individuele rechtspositionele kwesties. Afgifte werd nogal eens geweigerd met het argument dat de kwestie niet aan te merken was als een bestuurlijke aangelegenheid zodat de Wob niet van toepassing was. Dat argument is anno 2009 eigenlijk wel achterhaald.
De afgelopen jaren heeft de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State in diverse uitspraken de Wob van toepassing verklaard op verzoeken om afgifte van stukken die betrekking hadden op de rechtspositie van individuele ambtenaren. In principe zullen de opgevraagde documenten dus afgegeven moeten worden tenzij er sprake is van één van de absolute of relatieve weigeringsgronden uit genoemde wet.
Hoe wordt een verzoek om afgifte van stukken beoordeeld als de werkgever en de werknemer in het kader van een mediationtraject met elkaar geheimhouding overeen zijn gekomen?
Op 31 maart 2009 oordeelde de Rechtbank Assen over de weigering van een gemeente om inzage te verlenen in de rapporten die hadden geleid tot de schorsing van de directeur van een basisschool in die gemeente. De schorsing en het uitblijven van informatie over de redenen daarvoor hadden geleid tot grote commotie in het dorp, aldus de aanvrager. Het college had het verzoek geweigerd omdat er met de directeur een mediationtraject had plaatsgevonden en partijen daarbij hadden afgesproken dat er geen inhoudelijke uitlatingen werden gedaan aan derden over het arbeidsgeschil. Afgifte van de rapporten zou leiden tot een schending van deze afspraken om welke reden het verzoek niet was gehonoreerd. De aanvrager van de stukken kon zich in dat standpunt niet vinden en stelde beroep in.
Volgens de rechtbank is de nakoming van een overeenkomst een niet in de Wob opgenomen absolute of relatieve weigeringsgrond. Een mediationovereenkomst kan partijen slechts in hun onderlinge verhouding binden. Indien een derde een beroep doet op de wettelijke plicht tot openbaarmaking op grond van de Wob, kunnen de afspraken die partijen onderling hebben gemaakt niet aan afgifte van de stukken in de weg staan, aldus de rechtbank.
Het college had subsidiair nog aangevoerd dat het belang van privacy van betrokken personen maakte dat het verzoek moest worden afgewezen. Ook dit argument werd verworpen door de rechtbank. De rechtbank overwoog dat daar waar het gaat om het beroepshalve functioneren van ambtenaren slechts in (zeer) beperkte mate een beroep gedaan kan worden op het belang van eerbiediging van hun persoonlijke levenssfeer. Deze overweging is inmiddels ook vaste jurisprudentie (bijvoorbeeld de Afdeling 14 juli 2004, LJN AQ1360 en 4 juni 2008, LJN BD3114). Slechts wanneer het verzoek het openbaar maken van namen en adresgegevens zou betreffen ligt dat anders, aldus de rechtbank.
Volgens de rechtbank had de schorsing van de directeur in het dorp veel impact gehad zodat het belang om inzicht te krijgen in de onderliggende redenen niet kon worden ontkend. Het college had de gevraagde rapporten dan ook moeten afgeven.