Op 14 mei 2009 heeft de Centrale Raad van Beroep zich uitgelaten over een strafontslag dat was verleend aan een ambtenaar die zijn werkgever had beledigd. De ambtenaar had het bestuur van een gemeentelijke gezondheidsdienst waar hij werkzaam was, in een brief gevraagd waarom hij werd lastig gevallen met idiote, amateuristische en walgelijke spelletjes. Hij had de handelwijze van het bestuur verder vergeleken met bezetting, plundering, marteling en slachting.
Collega’s van deze ambtenaar hadden eerder klachten over hem ingediend wegens seksuele intimidatie. Vanwege de onrust op de werkvloer had de werkgever hem geschorst. Toen nadien het voorgenomen strafontslag bekend werd gemaakt, beschuldigde de betrokken ambtenaar de directeur van leugens, bedreiging en vuile spelletjes. Volgens hem zou hij bovendien onder valse voorwendsels naar het werk zijn gelokt om het schorsingsbesluit in ontvangst te nemen.
Nadat de ambtenaar er op was gewezen dat de wijze waarop hij zich uitte niet acceptabel was, liet hij zich nog extremer uit over zijn werkgever, zijn collega’s en over de leden van de bezwaarschriftencommissie.
Het strafontslag hield stand, maar niet vanwege de klachten van seksuele intimidatie. De ambtenaar was nooit geconfronteerd met concrete beschuldigingen, zodat hij zich daar niet tegen had kunnen verdedigen, aldus de rechtbank in eerste aanleg. De rechtbank achtte het ontslag niettemin houdbaar vanwege de onaanvaardbare wijze van communiceren van de ambtenaar.
In hoger beroep voerde de ambtenaar aan dat de rechtbank partijdig was geweest en deel uitmaakt van een rechtssysteem dat zichzelf in stand houdt. Ter rechtvaardiging van zijn gedrag had de ambtenaar tijdens de zitting bij de Raad verklaard dat hij terug had willen slaan omdat hij zich onheus bejegend had gevoeld. Dat mocht hem niet baten.
De Raad zag geen enkel aanknopingspunt om de uitspraak van de rechtbank te vernietigen. Daarbij overwoog hij dat de ambtenaar de grenzen van het betamelijke had overschreden. Wat er ook was van de behandeling door de werkgever, daarin kon geen legitimatie gevonden worden voor de wijze waarop de ambtenaar had gereageerd, aldus de Raad. Voorts was er sprake van doorgaand gedrag omdat de ambtenaar zich beledigend bleef uiten, ook nadat hem verzocht was om daarmee op te houden. De ambtenaar had zelfs laten weten dat hij trots was op zijn gedrag, zodat de werkgever volgens de Raad terecht had overwogen dat de ambtenaar zijn eigen omgangsvormen wenste vast te stellen en weigerde om zich te voegen naar de gedragslijnen die zijn werkgever hanteerde. Omdat dergelijk gedrag ernstig plichtsverzuim oplevert, was het strafontslag gerechtvaardigd. Het hoger beroep werd dan ook ongegrond verklaard.