In een recente uitspraak heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) de rechtbank Zwolle-Lelystad op de vingers getikt. De rechtbank had een beoordelingbesluit ten onrechte in stand gelaten wat voor de CRvB aanleiding was om nog eens uitdrukkelijk bekend te maken hoe de ambtenarenrechter een beoordelingsbesluit dient te toetsen. Indien de beoordeling – in afwijking van de geldende voorschriften - is vastgesteld door één beoordelaar kan het besluit geen standhouden. Met betrekking tot de inhoud van een beoordeling geldt dat de ambtenarenrechter het besluit marginaal toetst. Een dergelijke toetsing houdt in dat het bestuursorgaan in een procedure moet aantonen dat de beoordeling niet op onvoldoende gronden berust. De werkgever hoeft dan niet aan te tonen dat alle aan de beoordeling ten grondslag liggende feiten boven elke twijfel verheven zijn. Het gaat er volgens de CRvB om dat het totale beeld van het feitelijk functioneren van de ambtenaar het beoordelingsbesluit rechtvaardigt.
Het komt nogal eens voor dat een beoordelingsbesluit door één beoordelaar wordt vastgesteld terwijl het geldende reglement voorschrijft dat de beoordeling door meer dan één beoordelaar wordt opgemaakt. Dat speelde ook de het geval waarover de CRvB op 9 juli 2009 oordeelde. Volgens de CRvB kan in dergelijke gevallen niet te snel worden afgeweken van de hoofdregel dat meer dan één beoordelaar de beoordeling vaststelt. Pas als het onmogelijk is om een medebeoordelaar aan te wijzen kunnen één of meer informanten worden aangewezen. Voor de reden dat in de rechtspraak belang wordt gehecht aan het naleven van de hoofdregel, heeft de CRvB verwezen naar zijn uitspraken van 2 juni 2005 en 25 oktober 2007 (LJN AV2097 en LJN BB7441). De CRvB acht de procedurele waarborg van belang om de objectiviteit van een beoordelingsbesluit te waarborgen. Zeker indien sprake is van zeer lage scores of indien er sprake is van samenwerkingsproblemen tussen de ambtenaar en de beoordelaar is het voor het bestuursorgaan belangrijk om iedere schijn van een gebrek aan objectiviteit te vermijden.
Indien een beoordeling geen stand houdt omdat een medebeoordelaar ontbrak, is dit overigens een gebrek dat niet meer te herstellen is in een nieuw besluit op bezwaar. Om die reden zal de ambtenarenrechter het beoordelingsbesluit herroepen. De CRvB vernietigde in deze kwestie de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad omdat de rechtbank had verzuimd te oordelen over het beroep van de ambtenaar op de gebrekkige totstandkoming van het besluit.
Verder stelde de CRvB vast dat de rechtbank met betrekking tot de inhoud van de beoordeling de verkeerde toetsingsmaatstaf had aangelegd. De rechtbank had bezien of de beoordeling - gelet op alle feiten en omstandigheden – evident op onvoldoende gronden berust. Dat is de verkeerde maatstaf aldus de CRvB. De CRvB volstaat daarbij met een verwijzing naar zijn vaste jurisprudentie (CRvB 5 november 1998, LJN ZB7954 en TAR 1998/191). De vaste jurisprudentie houdt in dat in gevallen van negatieve oordelen als uitgangspunt geldt dat het op de weg van het bestuursorgaan ligt om genoegzaam aan te tonen dat die waardering niet op onvoldoende gronden berust. Daarbij is niet doorslaggevend of elk feit dat ter onderbouwing van de beoordeling wordt aangevoerd, boven elke twijfel verheven is. Zelfs niet van doorslaggevend belang is of bepaalde feiten onjuist zijn vastgesteld. Het gaat er volgens de CRvB om of in het totale beeld van de in beschouwing genomen gezichtspunten de gegeven beoordelingen de marginale toets kunnen doorstaan.
Barbara Zippelius