Op 1 oktober 2009 is de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen, ook wel genoemd de Wet dwangsom, in werking getreden. Deze wet voorziet in de aanpassing van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) om aan burgers meer doeltreffende rechtsmiddelen in handen te geven tegen vertraging in de besluitvorming door bestuursorganen.
Die rechtsmiddelen, de titel van de wet zegt het eigenlijk al, houden in dat het bestuursorgaan aan de burger een dwangsom kan verbeuren indien het bestuursorgaan er te lang over doet om een beslissing op aanvraag te nemen (daaronder ook verstaan een beslissing op bezwaarschrift) en tevens dat de burger rechtstreeks naar de rechter kan stappen indien er niet tijdig op een aanvraag beslist wordt.
Om het tot de toekenning van een dwangsom te laten komen is het nodig dat de burger het bestuursorgaan in gebreke stelt. Nadat hij dat gedaan heeft, begint een termijn van twee weken te lopen binnen welke termijn het bestuursorgaan alsnog een beslissing moet hebben genomen. Slaagt het bestuursorgaan daar niet in, en is er niet tevens sprake van één van de uitzonderingen waarbij de termijn om te beslissen verlengd kan worden (bijvoorbeeld indien de burger onvoldoende informatie heeft geleverd), dan verbeurt het bestuursorgaan met ingang van de eerste dag na die twee weken per dag een dwangsom. Die dwangsom wordt stapsgewijs steeds hoger. De eerste 14 dagen bedraagt de dwangsom 20 euro per dag, de daaropvolgende 14 dagen 30 euro per dag en de overige dagen 40 euro op per dag. In totaal kan de dwangsom op die manier oplopen tot € 1260.
Het bestuursorgaan moet uiterlijk binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was het totaalbedrag aan verbeurde dwangsommen bij beschikking vaststellen, om vervolgens uiterlijk binnen zes weken na de vaststelling over te gaan tot betaling aan de aanvrager.
Nu zit de wet zo in elkaar, dat het bestuursorgaan er niet zonder risico voor kan kiezen om de dwangsom van € 1260 voor lief te nemen, en vervolgens geen besluit te nemen als dat beter uitkomt. Zodra de burger het bestuursorgaan in gebreke heeft gesteld en de termijn van 14 dagen waarbinnen alsnog een beslissing genomen kan worden is verstreken, kan de aanvrager van een besluit rechtstreeks in beroep bij de rechtbank tegen het niet tijdig beslissen. Het gaat om een eenvoudige procedure; de rechtbank behandelt het beroep in beginsel zonder zitting binnen acht weken, of 13 weken als de rechter toch een zitting nodig acht. Indien het beroep gegrond is, kan de rechtbank zelf de dwangsom vaststellen die het bestuursorgaan had moeten vaststellen, en als er nog steeds geen besluit genomen is, bepaalt de rechtbank dat het bestuursorgaan binnen twee weken alsnog beslist, waaraan de rechter een nieuwe dwangsom koppelt die het bestuursorgaan verbeurt als het niet beslist binnen de opgelegde termijn van twee weken. De hoogte van die dwangsom wordt in de wet niet genoemd.
Wat wordt nu verstaan onder 'niet tijdig' beslissen? Als wet of regelgeving een duidelijke termijn geeft, bestaat daar geen onduidelijkheid over, maar vaak wordt geen termijn genoemd. In dat geval geldt dat binnen een 'redelijke termijn' moet zijn beslist. Het bestuursorgaan kan zelf de redelijke termijn bepalen. Wat redelijk is, hangt af van het type beschikking. Wordt geen redelijke termijn genoemd door het bestuursorgaan, dan staat in artikel 4:13 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat een redelijke termijn in ieder geval is verstreken wanneer een bestuursorgaan binnen acht weken na de aanvraag geen beschikking heeft gegeven, noch een kennisgeving als bedoeld in artikel 4:14 lid 3 Awb. In dat artikel staat dat in het geval een wettelijk voorschrift ontbreekt en een beschikking niet binnen acht weken kan worden gegeven, het bestuursorgaan dit binnen deze termijn aan de aanvrager mede moet delen en daarbij een redelijke termijn noemt waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
Dat wil niet zeggen dat het bestuursorgaan niet in gebreke is als er een mededeling van verlenging wordt gedaan. In de Memorie van Toelichting bij de Wet dwangsom staat over de mededeling van verlenging:
"Een ingebrekestelling wegens niet tijdig beslissen zal bij het ontbreken van een wettelijke termijn dus in elk geval mogelijk zijn zodra de door het bestuur meegedeelde redelijke termijn is verstreken of – als het bestuur geen mededeling doet – zodra acht weken zijn verstreken na de ontvangst van de aanvraag door het bestuursorgaan" en,
"Het gaat hier dus niet om verlenging, maar juist om een uitdrukkelijke erkenning door het bestuursorgaan dat het in gebreke is. Voor de aanvrager is dit onder andere van belang in verband met de mogelijkheid van bezwaar en beroep."
Nu kent het huidige systeem ook al mogelijkheden om in actie te komen tegen een talmende overheid, maar tot 1 oktober aanstaande moet in alle gevallen eerst bezwaar gemaakt worden tegen het niet-nemen van een besluit en vaak 'verdampt' een dergelijke procedure, zodra er alsnog een besluit genomen is. Door een dergelijke procedure wordt vaak alleen maar extra papier aan een dossier toegevoegd met misschien een beperkte proceskostenvergoeding. Dat wordt vanaf 1 oktober 2009 naar het zich laat aanzien anders: met de nieuwe wettelijke regeling worden de teugels voor bestuursorganen strak aangehaald, omdat zowel voor de aanvrager als het bestuursorgaan er flinke financiële prikkels ontstaan. Indien een bestuursorgaan er moeite mee heeft om tijdig te beslissen, om welke reden dan ook, en veelvuldig beslistermijnen overschrijdt, dient het er rekening mee te houden dat het geconfronteerd wordt met zowel ingebrekestelling en dwangsommen die automatisch gaan lopen, als met procedures bij de rechtbank die snel kunnen leiden tot nieuwe dwangsommen. Voor de burger zijn de procedures om de dwangsom te 'cashen' betrekkelijk eenvoudig; op de site van Binnenlandse Zaken zijn nu al standaard ingebrekestellingen te downloaden. Bij trage besluitvorming, zeker als dat vaak voorkomt, kunnen de kosten oplopen en het is dan ook niet voor niets dat een van de eisen van de volksvertegenwoordiging was dat de regering gaat bijhouden welke kosten met de uitvoering van deze nieuwe wettelijke regeling zijn gemoeid.
Tegenover deze nieuwe regels over dwangsommen en rechtstreeks beroep bij de rechtbank staat dat een aantal termijnen in de Awb en Wet openbaarheid van bestuur (Wob) zijn verlengd, en dat op een aantal punten verduidelijking is aangebracht als het gaat om de start van termijnen. De verlenging van sommige beslistermijnen was een voorwaarde voor het kabinet om de Wet dwangsom daadwerkelijk in te voeren, omdat met name bij bezwaarschriftprocedures en bij de afhandeling van Wob-verzoeken (de Wob kent erg korte beslistermijnen) de geldende termijnen als te krap werden ervaren en veelvuldig werden overschreden. Het gevolg is dat, als er een adviescommissie wordt ingeschakeld, de termijn om te beslissen op bezwaarschrift wordt verlengd van 10 naar 12 weken en de termijn voor een eerste verdaging van vier naar zes weken.
Verder is van belang dat er een uniformering van de beslistermijn heeft plaatsgevonden voor het geval dat tegen een besluit meerdere bezwaarschriften worden ingediend. Met ingang van 1 oktober 2009 start de beslistermijn op de dag na die waarop de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is verstreken, en dus niet na ontvangst van een bezwaarschrift (waardoor per besluit verschillende termijnen konden lopen).
Voorts worden op grond van het wetsvoorstel de gronden voor opschorting van de beslistermijn uitgebreid. Deze gronden worden hier niet behandeld. Wel wordt erop gewezen dat deze gronden niet erg ruim zijn. Het is dus zaak om steeds goed in de wet te kijken of een opschortingsgrond zich voordoet.
Het zal duidelijk zijn dat door de nieuwe Wet dwangsom de druk op bestuursorganen om tijdig te beslissen hoger wordt. Blijkbaar zijn belangrijke sectoren als de gemeentes en provincies hoopvol gestemd dat zij die druk aankunnen, allicht tegen de achtergrond van de verlengde termijnen. Immers, zowel de VNG als het IPO zijn met het wetsvoorstel akkoord gegaan, zij het met enige bedenkingen die wat betreft de gemeenten vooral betrekking hadden op de Wob-verzoeken die vaak een groot beslag kunnen leggen op de organisatie en waarbij er zelfs bureaus lijken te zijn die, reeds onder het huidige regime, 'leven' van proceskostenvergoedingen wegens overschrijding van de beslistermijnen.