Als een ambtenaar wordt aangesteld, wordt vaak gekozen voor de figuur van de tijdelijke aanstelling bij wijze van proef. De naam van een dergelijke aanstelling maakt al duidelijk dat het dan de bedoeling is om te beoordelen of de ambtenaar voldoet aan de eisen voor de functie waarvoor hij is aangesteld. Slaagt de proef, dan zal doorgaans een aanstelling in vaste dienst volgen. Dit wordt vaak ook zo in de aanstellingsbrief verwoord, bijvoorbeeld door een zinsnede als "Indien aan het einde van de proefperiode blijkt dat u aan de gestelde functie-eisen voldoet, zal uw aanstelling omgezet worden in een vaste aanstelling".
Nu doen zich aan het einde van de tijdelijke aanstelling nog wel eens misverstanden voor. Het ene misverstand houdt in dat alleen met oogkleppen op gekeken zou mogen worden naar het functioneren van de ambtenaar. Het andere houdt in dat verlenging van de tijdelijke aanstelling, of omzetting van detijdelijke aanstelling naar een vaste, onvermijdelijk is als er geen gedegen dossier is waaruit het disfunctioneren van deambtenaar blijkt.
In twee recente uitspraken heeft de Centrale Raad van Beroep nog eens duidelijk gemaakt dat een aanstelling voor bepaalde tijd toch echt van rechtswege eindigt, en dat als een bestuursorgaan weigert de proefaanstelling om te zetten in een vaste aanstelling, de ambtenaar geen sterke rechtspositie heeft.
Zo werd in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 2 april 2009, LJN: BI0637, de eerder met de uitspraak van 9 oktober 2008, LJN: BG1045, ingezette lijn bevestigd, dat kan worden afgezien van de op zich gebruikelijke gang van zaken dat bij goed functioneren een vaste aanstelling wordt verleend als zich een bijzondere omstandigheid van gewichtige aard voordoet. Een dergelijke bijzondere omstandigheid van gewichtige aard kan worden gevormd door bijvoorbeeld de noodzaak tot het treffen van bezuinigingsmaatregelen. Onder dergelijke omstandigheden kan niet van de overheidswerkgever verlangd worden dat tegen beter weten in het vaste ambtenarenbestand uitgebreid wordt met ambtenaren die de proef voor wat betreft het niveau van functioneren hebben doorstaan.
In zijn uitspraak van 2 april 2009, LJN: BI0635, ging de Raad nader in op het toetsingskader dat gehanteerd kan worden als het gaat om de beslissing om een tijdelijke aanstelling bij wijze van proef om te zetten in vast. Het gaat erom dat de ambtenaar aan de in redelijkheid te stellen eisen en verwachtingen heeft voldaan. In het algemeen kan gezegd worden dat de toetsing daarbij zeker niet zover gaat als een ontslag wegens disfunctioneren van een vast aangestelde ambtenaar aan de orde is. In deze uitspraak wordt, overigens in lijn met eerdere uitspraken van de Centrale Raad van Beroep, nog eens bevestigd dat daarbij bijvoorbeeld ook een factor als veelvuldig of langdurig ziekteverzuim een rol kan spelen. Speciaal aan deze zaak was dat de ambtenaar in deze zaak goed functioneerde in haar werk indien zij aanwezig was. Echter, de betreffende ambtenaar kende een hoog ziekteverzuim en de Raad vond dat het bestuursorgaan in die kwestie zich terecht op het standpunt kon stellen dat onder het voldoen aan in redelijkheid te stellen eisen en verwachtingen ook valt: het met een normaal te noemen continuïteit in staat zijn de functie te vervullen. Dat gold overigens in deze kwestie in het bijzonder, omdat het ging om een ambtenaar van wie verwacht werd dat zij een vertrouwensband met jongeren zou opbouwen.
Zoals gezegd, deze twee uitspraken maken vanuit verschillende invalshoeken nog eens duidelijk dat de ambtenaar met een tijdelijk dienstverband bij wijze van proef een betrekkelijk zwakke rechtspositie heeft. Zijn aanstelling eindigt van rechtswege op het moment dat de voor de aanstelling bepaalde tijd verstreken is en de beslissing om geen vaste aanstelling te verlenen - ook wel de impliciete weigering om een vaste aanstelling te verlenen - wordt door de rechter terughoudend getoetst.