De Minister van Binnenlandse Zaken heeft de Tweede Kamer op 30 oktober 2008 geïnformeerd over haar standpunt met betrekking tot de handhaving van de bijzondere rechtspositie van ambtenaren. De aanleiding hiervoor was gelegen in de motie van D66 om het civiele ontslagrecht ook van toepassing te verklaren voor ambtenaren.
De Minister acht een algehele afschaffing van de ambtenarenstatus niet wenselijk, omdat aan de ambtenaar bijzondere eisen worden gesteld, hetgeen een bijzondere rechtspositie rechtvaardigt waarbij de ambtenaar onder meer beschermd wordt tegen politieke willekeur. Bovendien zou een dergelijke omzetting een omvangrijke administratieve en (regel)technische operatie met zich brengen, hetgeen de Minister ook ongewenst acht.
Dit standpunt sluit volgens de Minister overigens niet uit dat de rechtspositie van ambtenaren op onderdelen verder geharmoniseerd wordt of dat binnen sectoren een stelsel van privaatrechtelijke arbeidsovereenkomsten wordt gehanteerd, zoals dat nu al het geval is binnen bepaalde onderwijssectoren. Maar zelfs als overheidswerknemers werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst zullen zij ten opzichte van werknemers in het bedrijfsleven altijd een bijzondere positie blijven innemen, aldus de Minister. Ook al zouden alle bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek van toepassing worden verklaard op de arbeidsovereenkomst met de ambtenaar, dan blijft gelden dat regelingen met betrekking tot medezeggenschap en collectief ontslag buiten toepassing blijven zodra het politieke primaat van de overheid in het geding is, zo sluit de Minister haar brief aan de Tweede Kamer af.